Ga direct naar de inhoud
Naar de homepage van Centraal Aanspreekpunt Pensioenen

Besluit Loonbelasting, inkomstenbelasting, VUT-regelingen, overbruggings- en prepensioenen, nabestaandenoverbruggingspensioenen en overbruggingslijfrenten; aanpassing looptijd wegens (getemporiseerde) verhoging van de AOW-leeftijd (besluit van 13-12-2019, nr. 2019-0000024804)

24 december 2019 13:03

Loonbelasting, inkomstenbelasting, VUT-regelingen, overbruggings- en prepensioenen, nabestaandenoverbruggingspensioenen en overbruggingslijfrenten; aanpassing looptijd wegens (getemporiseerde) verhoging van de AOW-leeftijd

Besluit van 13-12-2019, nr. 2019-0000024804

Belastingdienst/Corporate dienst Vaktechniek

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit is een actualisatie van het Besluit van 17 december 2013, nr. BLKB2013/2201M. De goedkeuringen vanwege de verhoging van de AOW-leeftijd zijn aangepast aan de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd (Stb.2019, 246). Verder is de werking van de goedkeuringen uit het besluit ook van toepassing verklaard op nabestaandenoverbruggingspensioenen.

1. Inleiding

Bij de invoering van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling is via overgangsrecht een voorziening getroffen voor op 31 december 2004 bestaande regelingen voor vervroegde uittreding, als bedoeld in artikel 18i van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2004) (hierna: VUT-regeling), overbruggingspensioenen, als bedoeld in artikel 18e van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2004) en prepensioenen als bedoeld in artikel 38a van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2004). Onder bepaalde voorwaarden zijn de wettelijke fiscale bepalingen voor deze bestaande regelingen van kracht gebleven. De bedoelde regelingen hebben alle als kenmerk dat ze moeten eindigen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Als de op 31 december 2004 bestaande VUT-regelingen, overbruggingspensioenen en prepensioenen niet voldoen aan deze laatste voorwaarde kunnen zij worden aangemerkt als een regeling voor vervroegde uittreding in de zin van artikel 32ba van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: RVU). De inhoudingsplichtige van de uitkering wordt dan een pseudo-eindheffing verschuldigd van 52% over de door hem gedane uitkeringen.

De reden voor de begrenzing tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar was bij de invoering van deze voorwaarden gelegen in het feit dat voor iedereen de AOW-leeftijd gold van 65 jaar. Nu de AOW-leeftijd is opgeschoven en de komende jaren getemporiseerd blijft opschuiven, bestaat aanleiding om het bedoelde overgangsrecht aan te passen. Dit mede ter voorkoming dat uitkeringen die doorlopen tot de AOW-leeftijd vóór temporisering leiden tot toepassing van de sanctie van artikel 19b, Wet op de loonbelasting 1964. In dit besluit is voor de hiervoor beschreven situatie een goedkeuring opgenomen voor uitkeringen uit VUT-regelingen, overbruggingspensioenen en prepensioenen. Door invoering van de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd kan zich voor ingegane nabestaandenoverbruggingspensioenen, als bedoeld in artikel 18f van de Wet op de loonbelasting 1964, de situatie voordoen dat de AOW-leeftijd die bepalend was voor het beëindigen van de uitkeringen tijdens de uitkeringsfase is verlaagd. Contractueel kunnen partijen echter hebben vastgelegd dat de AOW-leeftijd vóór de temporisering bepalend is voor de overeengekomen uitkeringstermijn. Deze nabestaandenoverbruggingspensioenen zouden hierdoor fiscaal onzuiver worden. Dit acht ik ongewenst. Daarom is hiervoor een goedkeuring opgenomen.

2. Overbruggingslijfrenten

Artikel 10a.1 van de Wet IB 2001 bevat een overgangsvoorziening voor op 31 december 2005 bestaande overbruggingslijfrenten als bedoeld in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 (tekst 2005). Deze voorziening is het lijfrente-equivalent van de overgangsregeling voor op 31 december 2004 bestaande VUT-regelingen en regelingen voor overbruggingspensioen en prepensioen. De overbruggingslijfrente heeft als kenmerk dat deze moet eindigen – naar keuze van de gerechtigde – in het jaar waarin de gerechtigde tot de lijfrente 65 jaar wordt of in het jaar waarin hij een uitkering op grond van een pensioenregeling gaat genieten. Door het getemporiseerd opschuiven van de AOW-leeftijd bestaat ook voor deze overbruggingslijfrenten aanleiding om het mogelijk te maken dat een overbruggingslijfrente desgewenst eindigt in het jaar waarin de gerechtigde tot de overbruggingslijfrente de AOW-leeftijd bereikt. Daarom keur ik het volgende goed.

3. Goedkeuringen

Ik keur onder voorwaarden goed dat uitkeringen uit VUT-regelingen, overbruggingspensioenen, nabestaandenoverbruggingspensioenen, prepensioenen en overbruggingslijfrenten mogen worden uitgekeerd tot uiterlijk de AOW-leeftijd van de betrokken gerechtigden. De AOW-leeftijd wordt opgevat met inbegrip van hetgeen hierna wordt opgemerkt.

Deze goedkeuringen kunnen met de stijging van de AOW-leeftijd leiden tot een verlenging van de uitkeringsperiode. Is eerder een uitkeringsperiode verlengd met toepassing van de goedkeuring uit het hierna in onderdeel 4 van dit besluit ingetrokken besluit van 17 december 2013, nr. BLKB2013/2201M, dan heeft de invoering van de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd tot gevolg dat die verlengde periode kan worden verkort. Dit volgt uit de voorwaarden bij de goedkeuring van voornoemd ingetrokken besluit.

Ingeval de AOW-leeftijd na de ingangsdatum van het overbruggingspensioen, nabestaandenoverbruggingspensioen, prepensioen of de overbruggingslijfrente wordt verlaagd, mag voor de toepassing van deze goedkeuringen ook worden uitgegaan van de AOW-leeftijd die van toepassing was vóór deze verlaging.

Bij gebruikmaking van de hiervoor genoemde goedkeuringen worden artikel 19b en artikel 32ba van de Wet op de loonbelasting 1964 en afdeling 3.8 van de Wet IB 2001 louter als gevolg van deze aanpassingen van de looptijd niet van toepassing op de bedoelde uitkeringen.

Voorwaarden

Voor deze goedkeuring gelden de volgende zeven voorwaarden.

  1. De wettelijke voorwaarden voor VUT-regelingen, regelingen voor een overbruggings-, nabestaandenoverbruggings- of prepensioen dan wel een overbruggingslijfrente blijven van kracht voor zover daarvan in de volgende voorwaarden niet wordt afgeweken.
  2. De omvang van de bestaande uitkeringsrechten mag niet worden uitgebreid of verminderd. De bestaande uitkeringsrechten dienen actuarieel te worden herrekend naar uitkeringen die over de aan de gewijzigde AOW-leeftijd aangepaste periode plaatsvinden. Deze herrekening brengt daarom een aanpassing van de uitkering per overeengekomen uitkeringstijdvak met zich.
  3. De uiterste wettelijke ingangsdata van de uitkeringen uit een regeling voor overbruggings- of prepensioen ondergaan door bovenstaande goedkeuringen geen wijziging.
  4. Een reeds lopende uitkering wordt op het moment van aanpassing niet geacht opnieuw te zijn ingegaan.
  5. De wettelijke (on)mogelijkheden om uitkeringen in hoogte te variëren ondergaan door bovenstaande goedkeuringen geen wijziging behoudens de variatie die voortvloeit uit de aanpassing als bedoeld in voorwaarde b.
  6. De uitkeringen uit een VUT-regeling, regeling voor overbruggings-, nabestaandenoverbruggings- of prepensioen eindigen uiterlijk op het moment dat de uitkeringsgerechtigde de voor hem of haar geldende AOW-leeftijd bereikt. De uitkeringen uit een overbruggingslijfrente eindigen uiterlijk in het jaar waarin de lijfrentegerechtigde de voor hem of haar geldende AOW-leeftijd bereikt.
  7. Ingeval de voor de uitkeringsgerechtigde geldende AOW-leeftijd na de ingangsdatum van het overbruggings-, nabestaandenoverbruggings- of prepensioen of de overbruggingslijfrente wordt verlaagd, mag voor de toepassing van voorwaarde f ook worden uitgegaan van de AOW-leeftijd die van toepassing was vóór deze verlaging.

4. Ingetrokken regeling

Het besluit van 17 december 2013, nr. BLKB2013/2201M wordt ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.

5. Inwerkingtreding en vervaldatum

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2020.

Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd.

Den Haag, 13 december 2019

De Staatssecretaris van Financiën,
namens deze,

J. de Blieck
hoofddirecteur Fiscale en Juridische Zaken

 

Andere vindplaatsen besluit: