Ga direct naar de inhoud
Belastingdienst, onderdeel van de Rijksoverheid - Naar de homepagina

Vervallen Handreiking tijdelijke pensioenknip (versie 26 oktober 2017)

26 oktober 2017 10:45

CENTRAAL AANSPREEKPUNT PENSIOENEN

1.  Inleiding

Bij zuivere premieovereenkomsten wordt de beschikbaar gestelde premie belegd tot de ingang van de pensioenuitkeringen (pensioendatum). Daardoor is onzeker tot welk kapitaal deze premies aangroeien. Het beleggingsrisico komt tot de pensioendatum voor rekening van de werknemer. Het risico dat de beleggingen vlak voor de pensioendatum minder waard worden, met als gevolg een lagere pensioenuitkering (conversierisico), kan op twee manieren worden tegengegaan. In de eerste plaats door de beleggingen al voor de pensioendatum om te zetten in een aanspraak op een kapitaal of een uitkering. In de tweede plaats kan het conversierisico worden beperkt door zodanig te beleggen, dat het beleggingsrisico kleiner wordt naarmate de pensioendatum nadert. In artikel 52 van de Pensioenwet (PW) is bepaald dat bij premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid moet worden belegd conform dit «life cycle»-principe.

Naast de waarde van de beleggingen is ook de rentestand van belang voor de omvang van het in te kopen pensioen. De rentestand is immers één van de bepalende factoren voor het tarief waarmee het pensioenkapitaal kan worden omgezet in een pensioenuitkering. Dit speelt niet alleen bij premieovereenkomsten maar ook bij kapitaalovereenkomsten. In beide gevallen is op pensioendatum een (eind)kapitaal beschikbaar waarmee op dat moment tegen het dan geldende tarief een pensioenuitkering wordt ingekocht. Gezien de voortdurende lage rentestand kan bij de werknemers die nu met pensioen gaan de behoefte bestaan om de inkoop van een deel van de pensioenuitkering naar de toekomst te verschuiven.

Op 1 september 2016 zijn de maatregelen van de Wet verbeterde premieregeling in werking getreden. De Wet verbeterde premieregeling biedt pensioengerechtigden met een pensioenpolis waarbij de hoogte van de pensioenuitkering niet reeds van tevoren vaststaat de keuzemogelijkheid van een risicodragend pensioen. Als de pensioengerechtigde hiervoor kiest, varieert zijn pensioen na de pensioendatum mee met het beleggingsrisico, de ontwikkeling van de levensverwachting en het gerealiseerde resultaat op sterfte. Door het wegvallen van de garanties van de pensioenuitvoerder kan een groter deel van het vermogen in zakelijke waarden worden belegd en kunnen dergelijke beleggingen ook na de pensioendatum worden voortgezet. Dit maakt het mogelijk over het opgebouwde vermogen een hoger beleggingsrendement te behalen en daarmee een hoger verwacht pensioenresultaat te realiseren. Tegenover een hoger verwacht rendement staan echter ook hogere risico’s voor de werknemer. De mogelijkheid om na de pensioendatum in zakelijke waarden te beleggen, maakt het pensioen minder afhankelijk van de actuele marktrente op de pensioendatum.

Voorafgaand aan het invoeren van de maatregelen van de Wet verbeterde premieregeling is besloten om de pensioenknip van artikel 2, negende lid, van de PW en artikel 2, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de artikelen 3a tot en met 3e van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling tijdelijk weer mogelijk te maken. De ingangsdatum van de direct ingaande tijdelijke pensioenuitkering moest vóór 1 juli 2017 liggen en de duur van de tijdelijke pensioenuitkering bedraagt in dat geval ten hoogste twee jaar. Indien de ingangsdatum van de pensioenuitkeringen was gelegen voor 1 januari 2014, bedraagt de duur van de tijdelijke uitkering ten hoogste vijf jaar

2.  Algemeen

Onder de hierna opgenomen voorwaarden is een pensioenknip mogelijk binnen de grenzen van hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB). De voorwaarden zijn mede gebaseerd op de artikelen 3a tot en met 3e van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Bij een pensioenknip ‘volgt’ een eventueel partnerpensioen de voor het ouderdomspensioen gemaakte keuze. Dit heeft een splitsing in de dekking voor het partnerpensioen tot gevolg. In geval van vooroverlijden van de werknemer hebben ook (ex-)partners met een (bijzonder) partnerpensioen de mogelijkheid om een pensioenknip toe te passen. Dit geldt ook voor ex-partners met een geconverteerd pensioenrecht.

Een directeur-grootaandeelhouder die voor de toepassing van de PW niet wordt aangemerkt als een werknemer kan ook gebruikmaken van de pensioenknip. Er moet wel sprake zijn van een premieovereenkomst of een kapitaalovereenkomst die zou voldoen aan de eisen van de PW indien die wet daarop van toepassing zou zijn. De pensioenknip kan ook worden toegepast indien de premieovereenkomst of de kapitaalovereenkomst van een directeur-grootaandeelhouder op grond van artikel 38n, eerste lid, Wet LB is verzekerd bij een eigenbeheerlichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d,  Wet LB (tekst 2016). Indien er in de hierna gestelde voorwaarden wordt verwezen naar een bepaling van of op basis van de PW, geldt voor de directeur-grootaandeelhouder dat die op overeenkomstige wijze moet worden toegepast.

In artikel 18, vijfde lid, van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet (IAPW) is overgangsrecht opgenomen voor C-polissen in de zin van artikel 2, vierde lid, onderdeel c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW) waarop na 1 januari 2007 geen verwerving van pensioen meer plaatsvindt. Voor deze C-polissen blijft de PSW van toepassing. De pensioenknip kan ook worden toegepast voor een C-polis die voldoet aan de voorwaarden van artikel 18, vijfde lid, van de IAPW. Er moet wel sprake zijn van een premieovereenkomst of een kapitaalovereenkomst die zou voldoen aan de eisen van de PW indien die wet daarop van toepassing zou zijn. Indien er in de hierna gestelde voorwaarden wordt verwezen naar een bepaling van of op basis van de PW, geldt dat die op overeenkomstige wijze moet worden toegepast voor de betreffende C-polis.

3.  Voorwaarden pensioenknip

  1. Het pensioen is verzekerd door middel van een kapitaalovereenkomst of premieovereenkomst in de zin van artikel 1 PW.
  2. Het op de pensioendatum beschikbaar komende kapitaal wordt gesplitst in een deel dat wordt aangewend voor aankoop van een direct ingaande tijdelijke pensioenuitkering en een deel dat later wordt aangewend voor de aankoop van een, direct op de tijdelijke pensioenuitkering aansluitende, levenslange pensioenuitkering.
  3. De ingangsdatum van de direct ingaande tijdelijke pensioenuitkering ligt vóór 1 juli 2017.
  4. Bij een ingangsdatum van de tijdelijke pensioenuitkering vóór 1 januari 2014 is de duur van de tijdelijke pensioenuitkering ten hoogste vijf jaar. Indien de tijdelijke pensioenuitkering na 31 december 2013 (maar vóór 1 juli 2017) is ingegaan, is de duur van de tijdelijke pensioenuitkering ten hoogste twee jaar.
  5. a. De hoogte van de direct ingaande tijdelijke pensioenuitkering dient te zijn vastgesteld op de hoogte die een levenslange uitkering op de pensioendatum zou hebben.
    b. Als het op de pensioendatum beschikbaar komende kapitaal mede dient ter dekking van een opgebouwd partnerpensioen, wordt tijdens de uitkeringsperiode van de tijdelijke pensioenuitkering een tijdelijk partnerpensioen verzekerd. Bij de aankoop van de levenslange pensioenuitkering die direct aansluit op de tijdelijke pensioenuitkering, wordt rekening gehouden met het partnerpensioen.
    c. De pensioenuitkering volgt de normale indexatie die in de pensioenregeling is opgenomen.
    d. Voor de omvang van de direct ingaande tijdelijke pensioenuitkering mag rekening worden gehouden met een variatie in de hoogte van de uitkeringen. De variatie is zodanig vastgesteld dat de laagste uitkering niet minder bedraagt dan 75 percent van de hoogste uitkering. Voor het vaststellen van de toelaatbare hoogte van de variatie moest worden uitgegaan van de hoogte die een levenslange uitkering op de pensioendatum zou hebben. Het was niet mogelijk om de omvang van de direct op de tijdelijke pensioenuitkering aansluitende, levenslange pensioenuitkering te variëren. Artikel 18d, eerste lid, onderdeel b, Wet LB eist immers dat de mate van variatie ten laatste op de ingangsdatum van het pensioen wordt vastgesteld.
  6. De pensioenuitvoerder belegt het na aankoop van de tijdelijke uitkering resterende kapitaal zodanig dat het risicoprofiel van de beleggingen gelijk blijft of lager wordt dan voor de aankoop van de tijdelijke uitkering.
  7. Anders dan in uitzonderlijke gevallen van restbegunstiging, mag de gesplitste aankoop van een pensioenuitkering niet tot gevolg hebben dat uit de pensioenverzekering uitkeringen kunnen voortvloeien ten gunste van andere gerechtigden dan die zijn genoemd in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, 1º tot en met 3º, Wet LB.