Ga direct naar de inhoud
Belastingdienst, onderdeel van de Rijksoverheid - Naar de homepagina

Vervallen V&A 20-010 Behandeling wetsvoorstel bedrag ineens, RVU en verlofsparen door Eerste Kamer in januari 2021 d.d. 161220

16 december 2020 00:00

Dit V&A 20-010 behandelt de gevolgen van het besluit van de Eerste Kamer om het wetsvoorstel bedrag ineens, RVU en verlofsparen te behandelen op 12 januari 2021.

Vraag

De Eerste Kamer heeft besloten het wetsvoorstel bedrag ineens, RVU en verlofsparen te behandelen op 12 januari 2021 (desgewenst inclusief stemming). Daarmee is er op 1 januari 2021 nog geen RVU-drempelvrijstelling. Het wetsvoorstel kent wel terugwerkende kracht tot 1 januari 2021. Wat zijn de fiscale consequenties van dit uitstel?

Antwoord

Betalingen in het kader van een RVU die de werkgever doet in de periode vanaf 1 januari 2021 tot het moment waarop de Eerste Kamer instemt met het wetsvoorstel bedrag ineens, RVU en verlofsparen, worden getoetst op basis van de tekst van artikel 32ba, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB), zoals deze op het moment van betalen van toepassing is. Aangezien de tekst van artikel 32ba Wet LB niet wordt gewijzigd per 1 januari 2021, afgezien van de met terugwerkende kracht in te voeren maatregelen van het wetsvoorstel bedrag ineens, RVU en verlofsparen, is dat dus de tekst zoals deze op 31 december 2020 luidt. Dat wil zeggen dat uitkeringen, bijdragen of premies worden beschouwd te zijn gedaan of voldaan op het tijdstip waarop zij betaald of verrekend zijn, ter beschikking zijn gesteld of rentedragend zijn geworden. Op dat moment is ook de eindheffing als bedoeld in artikel 32ba, eerste lid, Wet LB, verschuldigd.

Na aanvaarding van het wetsvoorstel door de Eerste Kamer en inwerkingtreding (met terugwerkende kracht) per 1 januari 2021, kan een werkgever alsnog een beroep doen op de RVU-drempelvrijstelling.

De hoogte van de RVU-drempelvrijstelling wordt, conform de tekst van het wetsvoorstel, bepaald door het bedrag in de wet (2021: € 1.847 per maand) te vermenigvuldigen met het aantal maanden dat ligt tussen de eerste uitkering en de AOW-gerechtigde leeftijd (afgerond op hele maanden naar boven en met een maximum van 36 maanden). Voor het kunnen toepassen van de RVU-drempelvrijstelling heeft de terugwerkende kracht derhalve alleen effect als ook daadwerkelijk een RVU-uitkering is gedaan in de periode waarover de terugwerkende kracht gaat.

Stel dat het wetsvoorstel in januari 2021 wordt aangenomen en in februari 2021 wordt de eerste RVU-uitkering gedaan. In dat geval is het niet mogelijk om in februari met terugwerkende kracht een uitkering over januari toe te kennen en nog gebruik te maken van de RVU-drempelvrijstelling over januari. Het is alleen mogelijk om gebruik te maken van de RVU-drempelvrijstelling met terugwerkende kracht over januari als ook in januari de RVU-uitkering is gedaan en wordt voldaan aan de overige voorwaarden voor de RVU-drempelvrijstelling. Over deze uitkering kan op basis van artikel 32ba Wet LB (tekst 2020) in januari een eindheffing verschuldigd zijn, die door middel van een correctiebericht kan worden gecorrigeerd zodra de maatregelen van het wetsvoorstel met terugwerkende kracht zijn ingegaan.

Deel deze pagina