Ga direct naar de inhoud
Belastingdienst, onderdeel van de Rijksoverheid - Naar de homepagina

V&A 21-003 Hoogte inkomensvervangende, loongerelateerde uitkering voor voortgezette pensioenopbouw na onvrijwillig ontslag

5 februari 2021 00:00

Dit V&A 21-003 behandelt de vraag hoe hoog een inkomensvervangende, loongerelateerde uitkering minimaal moet zijn om te kunnen voldoen aan de voorwaarden voor voortgezette pensioenopbouw na onvrijwillig ontslag.

Inleiding

Perioden na onvrijwillig ontslag kunnen op grond van artikel 10a, eerste lid, onderdeel c, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB), in aanmerking worden genomen als pensioengevende diensttijd. Voorwaarde is dat na het onvrijwillige ontslag een inkomensvervangende loongerelateerde uitkering wordt ontvangen (zie de Nota van Toelichting van het besluit van 18 mei 1999, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 in verband met de inwerkingtreding van de Wet fiscale behandeling van pensioenen (Staatsblad 1999, 212)). Een inkomensvervangende, loongerelateerde uitkering is bijvoorbeeld een WW-uitkering en een uitkering ingevolge de Ziektewet of de WIA.

Vraag

Hoe hoog moet een inkomensvervangende loongerelateerde uitkering zijn om te kunnen voldoen aan de voorwaarden voor voortgezette pensioenopbouw na onvrijwillig ontslag van artikel 10a, eerste lid, onderdeel c, UBLB?

Antwoord

Om te kunnen voldoen aan de voorwaarden van artikel 10a, eerste lid, onderdeel c, UBLB voor voortgezette pensioenopbouw na onvrijwillig ontslag, zal de voormalige werknemer na het ontslag een inkomensvervangende loongerelateerde uitkering moeten ontvangen. Er is in ieder geval sprake van een inkomensvervangende loongerelateerde uitkering indien de uitkering gelijk is aan de op grond van artikel 21, onderdeel a, van de Participatiewet vast te stellen bijstandsnorm voor belanghebbenden van 21 jaar en ouder.

Ingeval van een gedeeltelijk onvrijwillig ontslag kan de voor de voortgezette pensioenopbouw vereiste inkomensvervangende loongerelateerde uitkering naar evenredigheid van het onvrijwillig ontslag worden opgevat.

Voorbeeld

De fulltime dienstbetrekking van een werknemer wordt voor 50% onvrijwillig beëindigd. De pensioenopbouw van deze werknemer kan voor het deel dat de dienstbetrekking onvrijwillig is beëindigd worden voortgezet indien de werknemer na het ontslag een inkomensvervangende loongerelateerde uitkering ontvangt met een minimale omvang van 50% van de hiervoor genoemde bijstandsnorm.