Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

V&A 26-003 Aanpassing mate van variatie hoogte van pensioenuitkeringen na ingangsdatum en artikel 150l, zesde lid, PW

Dit V&A 26-003 behandelt de vraag of de mate van variatie van de hoogte van pensioenuitkeringen, als bedoeld in artikel 18d, eerste lid, Wet LB, na ingangsdatum kan worden aangepast na toepassing van artikel 150l, zesde lid, PW.

Inleiding

Wanneer een pensioenfonds overgaat van de uitvoering van een uitkeringsovereenkomst naar een flexibele premieovereenkomst, moet dat fonds aan de gepensioneerde de keuze voorleggen tussen een vastgestelde of variabele uitkering. Als het pensioenfonds uitsluitend variabele uitkeringen uitvoert, kan de gepensioneerde kiezen voor waardeoverdracht naar een andere pensioenuitvoerder voor de aankoop van een vastgestelde uitkering. Dit is geregeld in artikel 150l, zesde lid, van de Pensioenwet (PW).

Vraag

Een deelnemer aan de pensioenregeling van een pensioenfonds heeft op ingangsdatum van zijn ouderdomspensioen gekozen voor variatie in de hoogte van de uitkeringen, als bedoeld in artikel 18d, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB).

Nadat het ouderdomspensioen is ingegaan, gaat het pensioenfonds over van de uitvoering van een uitkeringsovereenkomst naar een flexibele premieovereenkomst. De gepensioneerde krijgt de keuze tussen een vastgestelde of een variabele uitkering, als bedoeld in artikel 150l, zesde lid, PW. Als het pensioenfonds uitsluitend variabele uitkeringen uitvoert, kan de deelnemer kiezen voor waardeoverdracht naar een andere pensioenuitvoerder voor de aankoop van een vastgestelde uitkering.

Mag de gepensioneerde bij toepassing van artikel 150l, zesde lid, PW ook kiezen voor een andere mate van variatie van de hoogte van zijn pensioenuitkeringen, als bedoeld in artikel 18d, eerste lid, Wet LB, dan de mate waarvoor hij gekozen heeft op ingangsdatum van zijn ouderdomspensioen?

Antwoord

Nee, de gepensioneerde mag bij toepassing van artikel 150l, zesde lid, PW niet kiezen voor een andere mate van variatie van de hoogte van zijn pensioenuitkeringen, dan de mate waarvoor hij gekozen heeft op ingangsdatum van zijn ouderdomspensioen. Hierbij maakt het niet uit of de gepensioneerde kiest voor een vastgestelde of een variabele uitkering bij het pensioenfonds of een andere pensioenuitvoerder.

Toelichting

Op grond van artikel 18d, eerste lid, Wet LB moet de mate van variatie in de hoogte van de uitkeringen van ouderdomspensioen, partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum, partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum en wezenpensioen ten laatste op ingangsdatum van de uitkeringen worden vastgesteld. Voor de situatie waarin artikel 150l, zesde lid, PW wordt toegepast, geldt geen uitzondering.

De nieuw vastgestelde of variabele uitkering, kan op grond van artikel 18d, derde lid, Wet LB afwijken van de hoogte van de oorspronkelijke uitkering, maar de mate van variatie (inclusief de periode van variatie) moet gelijk blijven.

Voorbeeld

Een gepensioneerde heeft zijn pensioen op 1 januari 2025 laten ingaan. Hij heeft gekozen voor variatie in de hoogte van zijn pensioenuitkeringen in de verhouding 100:75.

De eerste 5 jaar ontvangt hij een jaarlijkse bruto uitkering van € 10.000, daarna bedraagt de jaarlijkse bruto uitkering levenslang € 7.500.

Op 1 januari 2027 gaat het pensioenfonds over van de uitvoering van een uitkeringsovereenkomst naar een flexibele premieovereenkomst.

De gepensioneerde kiest met toepassing van artikel 150l, zesde lid, PW voor een vastgestelde uitkering. De nieuwe uitkering mag in hoogte afwijken van de oorspronkelijke uitkering, maar de mate van variatie moet gelijk blijven.

Het is dus toegestaan dat de gepensioneerde eerst een uitkering ontvangt van € 11.000 tot 1 januari 2030 en vervolgens een uitkering van € 8.250 (100:75) levenslang.

Het is bij overgang niet toegestaan dat de gepensioneerde kiest voor een andere mate van variatie, bijvoorbeeld 100:85. Het is bij overgang ook niet toegestaan om te kiezen voor een andere periode waarin de pensioenuitkeringen variëren. Bijvoorbeeld een hoge uitkering tot 1 januari 2032 en daarna levenslang een lagere uitkering.

Deel deze pagina