Handreiking onderdekking en prijsgeven van in eigen beheer verzekerde pensioen- en soortgelijke verplichtingen
Publicatiedatum 22-10-2026
In deze handreiking onderdekking en prijsgeven van in eigen beheer verzekerde pensioen- en soortgelijke verplichtingen zijn de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om af te zien van de aanspraak zonder toepassing van de LB- of IB-prijsgeefsanctie opgenomen. Deze handreiking geeft hierop ook een toelichting.
1. Begrippen en afkortingen
In het kader van deze handreiking geven we de volgende uitleg aan de gehanteerde begrippen en afkortingen:
| IB-prijsgeefsanctie | Toepassing van artikel 3.133, tweede lid, onderdeel f, Wet IB 2001 |
| Kwalificerend product | Product dat voldoet aan de fiscale eisen voor pensioen, loonstamrecht of stakingswinstlijfrente |
| LB-prijsgeefsanctie | Toepassing van artikel 19b, eerste lid, onderdeel c, Wet LB 1964 (tekst 31-12-2016) |
| Lijfrente | Een lijfrenteverzekering, lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in de artikelen 3.125 en 3.126a Wet IB 2001 |
| Loonstamrecht | Aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37 Wet LB 1964 (tekst 31-12-2013) |
| ODV | Aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting als bedoeld in artikel 38n, tweede lid, onderdeel b, Wet LB 1964 (tekst 31-12-2019) |
| Onderdekking | Situatie waarin het vermogen van het eigenbeheerlichaam onvoldoende is om de pensioen- en soortgelijke verplichtingen volledig te dekken (dekkingsgraad <100%) |
| PEB-aanspraak | Aanspraak uit een pensioenregeling die in eigen beheer is verzekerd (artikel 19a, eerste lid, onderdelen d en e, Wet LB 1964, tekst 31-12-2016) |
| Artikel 19-stamrecht of artikel 44j-stamrecht | Stamrecht bedongen met toepassing van artikel 19 (oud) Wet IB 1964 of artikel 44j (oud) Wet IB 1964 |
| Stakingswinstlijfrente | Lijfrente bedongen als tegenprestatie voor overdracht van een onderneming, onder het regime Brede Herwaardering (1992–2000) of Wet IB 2001 |
| Toegelaten aanbieder | Aanbieder die voldoet aan de wettelijke eisen voor pensioen, loonstamrecht of stakingswinstlijfrente, niet zijnde een eigenbeheerlichaam |
| Wet IB 1964 | Wet op de inkomstenbelasting 1964 |
| Wet IB 2001 | Wet inkomstenbelasting 2001 |
| Wet LB 1964 | Wet op de loonbelasting 1964 |
| Wet Vpb 1969 | Wet op de vennootschapsbelasting 1969 |
2. Inleiding
De Belastingdienst staat onder voorwaarden toe dat bij onderdekking zonder toepassing van de LB- of IB-prijsgeefsanctie kan worden afgezien van een deel van een PEB-aanspraak of een in eigen beheer verzekerd(e) loonstamrecht of stakingswinstlijfrente. Eén van de voorwaarden is dat de aanwezige middelen van het eigenbeheerlichaam worden afgestort bij een toegelaten aanbieder, waarna het lichaam wordt geliquideerd.
Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen is aangegeven dat deze werkwijze ook kan worden toegepast voor een ODV. Dit is tevens opgenomen in V&A 17-009 van het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen.
Deze handreiking geeft een toelichting op de voorwaarden die door de Belastingdienst worden gehanteerd. Hierna zijn de voorwaarden opgenomen waaraan moet worden voldaan om af te zien van de aanspraak zonder toepassing van de LB- of IB-prijsgeefsanctie.
3. Voorwaarden bij onderdekking
Afzien van een aanspraak zonder toepassing van de LB- of IB-prijsgeefsanctie kan alleen als aan de onderstaande drie voorwaarden wordt voldaan. Deze voorwaarden zijn cumulatief.
3.1 Oorzaak van de onderdekking
De onderdekking moet zijn ontstaan door (reële) ondernemings- of beleggingsverliezen. Deze werkwijze kan niet worden toegepast wanneer de onderdekking (mede) haar oorzaak vindt in winstuitdelingen in voorafgaande jaren of in onvolwaardige dan wel afgewaardeerde vorderingen op de directeur-grootaandeelhouder, diens partner, aan hen verwante personen of aan hen gelieerde lichamen.
3.2 Aanwending van alle bezittingen
Alle bezittingen van het eigenbeheerlichaam worden volledig aangewend voor de aankoop van een kwalificerend product bij een toegelaten aanbieder. Vorderingen (ook op de aanspraakgerechtigde, waaronder rekening-courant) moeten eerst volledig worden geïnd.
3.3 Liquidatie van het eigenbeheerlichaam
Het eigenbeheerlichaam wordt onmiddellijk na de aankoop van het kwalificerende product geliquideerd. Als geen middelen resteren voor aankoop van een kwalificerend product wordt het eigenbeheerlichaam ook geliquideerd.
Deze drie voorwaarden zijn ontleend aan de beleidsbesluiten waarin het gedeeltelijk prijsgeven van pensioen- of ODV-aanspraken bij onderdekking wordt toegestaan (Besluit van 18 maart 2013, nr. BLKB2013/27M, en onderdeel 2.3. van het Verzamelbesluit pensioenen van 27 juni 2023, nr. 2023-13641).
Geen toepassing van prijsgeefsanctie
Indien aan de bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, kan het restant van de aanspraak worden aangemerkt als niet voor verwezenlijking vatbaar. Dit restant kan dan zonder toepassing van de LB- of IB-prijsgeefsanctie worden prijsgegeven. Het prijsgeven van het restant kwalificeert niet als informele kapitaalstorting en leidt dus niet tot verhoging van de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang.
Reikwijdte
De werkwijze is toepasbaar bij onderdekking van PEB-aanspraken, loonstamrechten en stakingswinstlijfrenten. Toepassing is mogelijk vóór, bij en na het bereiken van de AOW-leeftijd. Voor de werkwijze bij onderdekking van een ODV wordt verwezen naar onderdeel 2.3 van het Verzamelbesluit pensioenen.
Artikel 19-stamrecht of artikel 44j-stamrecht
Voor een artikel 19-stamrecht of een artikel 44j-stamrecht gelden de voorwaarden zoals hiervoor genoemd onder 3.1 tot en met 3.3. Voor deze stamrechten geldt echter geen prijsgeefsanctie. Het prijsgeven leidt daarom bij een dergelijk stamrecht niet tot directe gevolgen voor de inkomstenbelasting.
4. Vennootschapsbelasting – kwijtscheldingswinstvrijstelling
Het (gedeeltelijk) prijsgeven van de aanspraak leidt tot vrijval van de corresponderende verplichting in de fiscale winst van het eigenbeheerlichaam. Deze vrijval vormt een voordeel als bedoeld in artikel 8, vierde lid, Wet Vpb 1969. Hierdoor kan de kwijtscheldingswinstvrijstelling van toepassing zijn.
De vrijstelling geldt uitsluitend voor zover de kwijtscheldingswinst uitgaat boven de verrekenbare verliezen uit voorgaande jaren en het verlies van het lopende jaar.
Fiscale eenheid
De kwijtscheldingswinstvrijstelling is niet van toepassing wanneer het eigenbeheerlichaam deel uitmaakt van een fiscale eenheid (artikel 15ac, tweede lid, Wet Vpb 1969) en evenmin gedurende zes jaar na ontvoeging (artikel 8, zestiende lid, Wet Vpb 1969). De vrijstelling kan toch worden toegepast voor zover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat deze ook zonder fiscale eenheid van toepassing zou zijn geweest.