Go directly to content
Naar de homepage

Besluit Vennootschapsbelasting. Inkomstenbelasting. Waarderingsaspecten van pensioenen en lijfrenten (besluit van 19 maart 2019, nr. 2019-6904)

19 maart 2019 06:51

Vennootschapsbelasting. Inkomstenbelasting. Waarderingsaspecten van pensioenen en lijfrenten

Belastingdienst/Corporate dienst Vaktechniek

Besluit van 19 maart 2019, nr. 2019-6904,

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit is een actualisering van het besluit van 3 juli 2008, nr. CPP2008/447M (Stcrt. 2008, 133). De aanpassingen betreffen met name verwijzingen naar nieuwe wetgeving. De overige aanpassingen zijn redactioneel, zonder dat een inhoudelijke wijziging is beoogd. Redactioneel het meest gewijzigd is het volgende:

  • De indeling van hoofdstuk A is voor de leesbaarheid aangepast.
  • Onderdeel A.2.3. (oud) is komen te vervallen vanwege het beperkte praktische belang.
  • Onderdeel B.6. inzake de waardering van een pensioenverplichting bij een stelselwijziging als gevolg van een verbreking van een fiscale eenheid is ter verduidelijking herschreven.

 

1. Inleiding

Dit besluit behandelt twee aandachtsgebieden. In hoofdstuk A. staat de waarde in het economische verkeer centraal. Die is van belang voor de hoogte van een koopsombetaling in verband met de overdracht van een pensioenverplichting.
Daarnaast speelt de waarde in het economische verkeer een rol bij het beoordelen van de zakelijkheid van pensioenaanspraken, die door een naamloze of besloten vennootschap (werkgever) aan een directeur-grootaandeelhouder (DGA) zijn toegekend. In de onderdelen 2. en 3. van hoofdstuk A. zijn goedkeuringen opgenomen. Hoofdstuk B. van het besluit behandelt het beleid dat de Belastingdienst hanteert met betrekking tot de waardering van pensioen- en lijfrenteverplichtingen in het kader van de jaarwinstbepaling. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:

  • waardering pensioenverplichtingen in eigen beheer;
  • waardering verzekerde pensioenverplichtingen;
  • waardering van lijfrenteverplichtingen;
  • overgangsregeling rekenrente 1 januari 2001;
  • inbouw elders verzekerd kapitaal; en
  • waardering bij stelselwijziging door beëindiging van een fiscale eenheid.

Hoofdstuk B heeft betrekking op de waardering van pensioen- en lijfrenteverplichtingen. Ook in hoofdstuk B. zijn goedkeuringen opgenomen.

Hoewel in dit besluit enkel vennootschapsbelasting- en inkomstenbelastingaspecten van pensioen- en lijfrenten worden behandeld, merk ik volledigheidshalve het volgende op.
Als gevolg van de invoering van de maatregelen van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer is het niet meer mogelijk om nog in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraken op te bouwen. Tevens kan een niet door een eigenbeheerlichaam uitgevoerde pensioenverplichting niet meer worden overgedragen aan een eigenbeheerlichaam.

1.1 Gebruikte begrippen en afkortingen

DGADirecteur-grootaandeelhouder
HRHoge Raad
PensioenlichaamLichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, Wet LB 1964 (tekst 2016), dat niet zelf de pensioenaanspraak heeft toegekend
UBLB 1965Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965
URIB 2001Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001
Wet IB 2001Wet inkomstenbelasting 2001
Wet LB 1964Wet op de loonbelastng 1964
Wet uitfasering PEBWet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen
Wet VAPWet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd
Wet Vpb 1969Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Wet VPLWet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling
Wet Witteveen 2015Wet verlaging maximum opbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen

 

A. Waarde in het economische verkeer

A.1. Inleiding
De waarde in het economische verkeer is van belang wanneer een pensioenverplichting tegen koopsombetaling wordt overgedragen aan een pensioenlichaam. Daarnaast speelt de waarde in het economische verkeer een rol bij het vaststellen van de zakelijkheid van een pensioentoezegging aan een DGA.

In dit hoofdstuk wordt op beide onderwerpen nader ingegaan.

A.2. Koopsombetalingen aan pensioenlichamen

A.2.1. Algemeen
In geval van overdracht van een pensioenverplichting dient een koopsom te worden betaald aan het overnemende pensioenlichaam. Bij koopsombetalingen aan een pensioenlichaam kan het zakelijke karakter van de overeenkomst tussen het overdragende lichaam en het pensioenlichaam in het geding zijn. Hiervan zal sprake zijn wanneer de koopsombetalingen niet de waarde in het economische verkeer van de overgedragen verplichtingen vertegenwoordigen.

De aan het pensioenlichaam verschuldigde koopsom dient te zijn gebaseerd op een door het overdragende lichaam en het pensioenlichaam gesloten (financierings)overeenkomst, welke schriftelijk is vastgelegd en waarin is opgenomen welke verplichtingen aan het pensioenlichaam worden overgedragen en welke koopsom daarvoor wordt berekend. Om onzekerheid over de omvang van de koopsom te voorkomen en een gelijke behandeling zoveel mogelijk te bevorderen, geef ik in dit onderdeel mijn opvattingen weer over het vaststellen van de als zakelijk aan te merken koopsom.

Naast een onderzoek naar de hoogte van de koopsom zal onderzocht moeten worden of en in hoeverre de koopsom een element van vooruitbetaling bevat en of de koopsom ingevolge de artikelen 3.26 tot en met 3.28 Wet IB 2001 juncto artikel 8 Wet Vpb 1969 slechts beperkt aftrekbaar is. Bij een betaling aan een pensioenstichting zal de aandacht zich voorts richten op de vraag of de koopsom het vermogen van het overdragende lichaam onherroepelijk heeft verlaten en of de beschikkingsmacht niet in feite in handen ligt van de DGA.

Als het overdragende lichaam en het overnemende pensioenlichaam voor de vennootschapsbelasting deel uitmaken van dezelfde fiscale eenheid wordt de winst van deze fiscale eenheid niet beïnvloed door de omvang van de koopsombetaling. Toch is het van belang om de koopsom op een zakelijk juist bedrag vast te stellen. De fiscale eenheid heeft bijvoorbeeld voor de loonbelasting geen betekenis. Stelt men de koopsom bijvoorbeeld onzakelijk laag vast, dan kan dit tot de conclusie leiden dat de DGA de pensioenaanspraak in feite voor een deel prijsgeeft.

A.2.2. Nominale of vast geïndexeerde pensioenen
De aan een pensioenlichaam te betalen koopsom voor een nominaal of vast geïndexeerd pensioen dient te zijn gebaseerd op de tarieven die levensverzekeringsmaatschappijen voor dergelijke pensioenverzekeringen plegen te hanteren (vgl. HR 24 oktober 2003, nr. 37.856, ECLI:NL:HR:2003:AI0411). Onder deze tarieven moet in dit verband worden verstaan de zogenoemde bruto-netto tarieven; dit zijn de bruto tarieven verminderd met alle gebruikelijke kortingen. Dit betekent dat rekening gehouden moet worden met o.a. omvangskortingen en – voor zover van toepassing – rentestandskortingen. Daarnaast moeten de tussen onafhankelijke derden gebruikelijke overrente- of winstdelingen zijn overeengekomen.

A.2.3. Open geïndexeerde pensioenen
De omstandigheid dat levensverzekeringsmaatschappijen geen open geïndexeerde pensioenen verzekeren, vormt geen beletsel voor het bepalen van een koopsom die zou zijn overeengekomen tussen zakelijk handelende partijen. De waarde van een dergelijke pensioenaanspraak waarbij een open indexatie overeen is gekomen, kan worden bepaald door uit te gaan van de waarde van een pensioen met een vaste indexatie die tussen partijen op zakelijke wijze ten tijde van de overdracht ter vervanging van de toegezegde open indexatie zou zijn overeengekomen (vgl. HR 14 april 2006, nr. 41.569, ECLI:NL:HR:2006:AW1747).

Goedkeuring vaststelling overdrachtswaarde open geïndexeerde pensioenaanspraak
Ter voorkoming van discussie over de hoogte van de fictieve vaste indexatie, die dient ter vervanging van de open indexatie, keur ik goed dat deze wordt gesteld op 2% per jaar, waarmee wordt aangesloten bij het streven van de Europese Centrale Bank dat is gericht op een inflatie beneden, maar dicht bij de 2%. Nader onderzoek naar de zakelijke overwegingen kan daarbij achterwege blijven. Ik merk hierbij op dat voor zover de rekenrente per saldo lager uitkomt dan 4%, de artikelen 3.26 tot en met 3.28 Wet IB 2001 juncto artikel 8 Wet Vpb 1969, mee kunnen brengen dat de betaalde koopsom gedeeltelijk moet worden geactiveerd.

A.3. Zakelijkheid pensioenaanspraken

A.3.1. Algemeen
Als een aan de DGA toegekende pensioenaanspraak voor de heffing van de loonbelasting fiscaal zuiver is, dat wil zeggen voldoet aan het bepaalde in hoofdstuk IIB Wet LB 1964, betekent dit niet dat deze toezegging voor de heffing van de vennootschapsbelasting altijd als zakelijk kan worden aangemerkt. Voldoening aan de geldende regels voor pensioenen in de Wet LB 1964 brengt niet in alle gevallen mee dat het voor de zakelijkheid vereiste verband aanwezig is tussen het genoten salaris en de werkelijke diensttijd enerzijds en de hoogte van het pensioen anderzijds. Onder omstandigheden kan de DGA bijvoorbeeld extra diensttijd inkopen (hetzij voor eigen rekening, hetzij voor rekening van de werkgever), zonder dat de pensioenregeling de begrenzingen van hoofdstuk IIB Wet LB 1964 overschrijdt (artikel 10a, tweede en derde lid, UBLB 1965). In een dergelijk geval kan een voor de loonbelasting zuivere pensioenregeling onder omstandigheden leiden tot een onzakelijke last voor de vennootschapsbelasting, ook al is overigens sprake van een normale arbeidsbeloning (exclusief de pensioenregeling).

De grens tussen zakelijk en onzakelijk handelen is niet in zijn algemeenheid aan te geven. Dit zal steeds aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval dienen te worden beoordeeld. Of in een concreet geval sprake is van een zakelijke of onzakelijke last moet volgens vaste jurisprudentie worden getoetst aan de totale arbeidsbeloning (vgl. HR 15 mei 1985, nr. 22.154, ECLI:NL:HR:1985:AW8273, HR 20 januari 1988, nr. 24.554 ECLI:NL:HR:1988:ZC3740, en HR 24 april 1991, nr. 27.021 ECLI:NL:HR:1991:ZC4572).

A.3.2. Kwalificatie van inkoop dienstjaren als onzakelijk
In de uitvoeringspraktijk roept vooral de hiervoor genoemde inkoop van dienstjaren vragen over de zakelijkheid op. Als de werknemer geen DGA is, komen de kosten van een dergelijke inkoop doorgaans voor rekening van de werknemer zelf. Als aan een DGA extra pensioenaanspraken worden toegekend en hij daarvoor geen of een geringe eigen bijdrage betaalt, kan toetsing van de concrete feiten en omstandigheden tot de conclusie leiden dat de kosten van de extra pensioenaanspraken dusdanig hoog zijn dat geen redelijk denkende werkgever deze kosten voor zijn rekening had genomen als de werknemer niet tevens aandeelhouder zou zijn, onder overigens vergelijkbare omstandigheden. De extra aanspraken vloeien dan niet voort uit de dienstbetrekking, maar uit de aandeelhoudersrelatie.

Van een onvoldoende eigen bijdrage kan ook sprake zijn als het loon wordt verhoogd om daarmee de eigen bijdrage van de DGA te compenseren. In dat geval komt de ‘eigen’ bijdrage door de loonsverhoging in feite toch voor rekening van de werkgever. Voor de beoordeling van de kosten van de extra aanspraken moet worden uitgegaan van de onvoorwaardelijk toegekende aanspraken.

Goedkeuring inkoop dienstjaren
Om te voorkomen dat de zakelijkheid moet worden getoetst bij elke inkoop, waarvan de kosten direct of indirect voor rekening van de werkgever komen, keur ik goed dat nader onderzoek naar de zakelijke overwegingen achterwege blijft als in het jaar van inkoop de extra ingekochte diensttijd niet meer bedraagt dan de pensioengevende diensttijd van het jaar waarin de inkoop plaatsvindt. Die zakelijke overwegingen worden in dat geval aanwezig verondersteld. Deze goedkeuring geldt alleen als de totale arbeidsbeloning overigens – dus exclusief de kosten van de extra pensioentoezegging – als zakelijk kan worden aangemerkt.

Als de kosten van de extra aanspraken te hoog zijn, is sprake van onzakelijke lasten en veelal tevens van een uitdeling. Onzakelijkheid heeft tot gevolg dat de kosten van het onzakelijke deel van de aanspraak voor de werkgever niet aftrekbaar zijn. Als tevens sprake is van een uitdeling wordt de waarde in het economische verkeer van het onzakelijke deel van die aanspraak bij de DGA aangemerkt als in het jaar van toekenning genoten inkomen uit aanmerkelijk belang in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet IB 2001.

Indien de als onzakelijk aangemerkte aanspraken nadien worden verhoogd ingevolge een eindloontoezegging of een voorwaardelijke indexatie dienen de voor de vennootschap daarmee samenhangende backservicelasten eveneens als een onzakelijke last te worden aangemerkt. Voor zover bij de toekenning sprake is van een uitdeling, geldt dit ook voor de latere verhoging van de aanspraken. De latere backservicelasten vloeien immers voort uit een als onzakelijk aangemerkte inkoop.

Voor de goede orde merk ik nog het volgende op. Als de pensioenverplichting in eigen beheer wordt gehouden en de DGA een belang van ten minste een derde heeft in de vennootschap of in een daarmee verbonden vennootschap, valt de jaarlijkse oprenting van dit onzakelijke deel van de verplichting in beginsel onder de werking van artikel 10a Wet Vpb 1969. De in eigen beheer gehouden pensioenverplichting vormt voor het onzakelijke deel daarvan een bijzondere vorm van een schuld die verband houdt met een winstuitdeling in de zin van dit artikel.

 

B. Waardering van pensioen- en lijfrenteverplichtingen algemeen

B.1. Waardering pensioenverplichtingen in eigen beheer

B.1.1. Algemeen
Voor de duidelijkheid merk ik hier nogmaals op dat het kort samengevat met ingang van 1 april 20171 niet meer mogelijk is om nog in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraken op te bouwen (krachtens de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen). Voor de waardering van de bestaande verplichtingen geldt het volgende beleid.

Goedkoopmansgebruik eist dat pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen worden gewaardeerd met gebruikmaking van de geldende marktrente voor langlopende leningen en de gebruikelijke overlevingstafels ten tijde van het aangaan van de verplichtingen. Daarbij geldt dat bij een stijging van de verplichting als gevolg van een verzwaring – per saldo – van de grondslagen de verplichtingen dienovereenkomstig hoger mogen worden gewaardeerd en bij een nadien optredende verlichting – per saldo – van die grondslagen de verplichtingen dienovereenkomstig lager moeten worden gewaardeerd, doch niet lager dan zij worden gewaardeerd met gebruikmaking van de oorspronkelijk gehanteerde grondslagen (vgl. HR 28 juni 2000, nr. 34.169, ECLI:NL:HR:2000:AA6313, HR 23 januari 2004, nr. 38.029 ECLI:NL:HR:2004:AI0416, en HR 1 september 2006, nr. 40.930, ECLI:NL:HR:2006:AU6038).

B.1.2. Vaststelling marktrente
Bij de waardering van in eigen beheer gehouden pensioenverplichtingen kunnen belastingplichtigen de marktrente vaststellen op de wijze geregeld geregeld in het besluit van 30 maart 2018, nr. 2018-2954 (Stcrt. 2018, 19762). Hierbij wordt opgemerkt dat als deze marktrente lager is dan 4%, deze verplichtingen op grond van artikel 3.29 Wet IB 2001 juncto artikel 8 Wet Vpb 1969 moeten worden gewaardeerd met inachtneming van een rekenrente van 4%.

B.1.3. Sterftegrondslagen
De waarderingsregel voor pensioenverplichtingen in eigen beheer van onderdeel B.1.1. wordt ten aanzien van de te hanteren sterftegrondslagen ingeperkt door artikel 8, zesde lid, Wet Vpb 1969 (tekst 2016). Op grond van dit artikel mag geen overlevingstafel worden gehanteerd, waarin rekening is gehouden met verwachtingen betreffende toekomstige levensverwachtingen. Bovendien mag een leeftijdsterugstelling alleen worden toegepast ter correctie van het verschil tussen de gehanteerde overlevingstafel en een overlevingstafel van recentere datum.

B.1.4. Jaarlagen
De grondslagen van de waardering zijn de marktrente en de gebruikelijke overlevingstafels ten tijde van het aangaan van de verplichting. Bij elke jaarlijkse aangroei van de pensioenaanspraak is sprake van een nieuwe verplichting. Voor de waardering van de nieuwe verplichting moet daarbij worden uitgegaan van de marktrente en de overlevingstafel in het jaar van aangroei. Voor elke jaarlaag moeten daarom de eigen marktrente en overlevingstafel worden bijgehouden. Omdat dit in de praktijk tot problemen leidt, keur ik het volgende goed.

Goedkeuring ter beperking van het aantal jaarlagen
De jaarlijkse aangroei ten gevolge van toename van de diensttijd of aanpassing aan de loon- of prijsontwikkeling hoeft niet te worden aangemerkt als het aangaan van een nieuwe verplichting. De verplichting mag jaarlijks gewaardeerd blijven tegen de marktrente en de overlevingstafel van het boekjaar waarin de pensioenverplichting voor de eerste keer is aangegaan. Hierbij kan worden uitgegaan van de grondslagen op het einde van dat jaar. Daarmee wordt in die gevallen voorkomen dat alsnog verschillende jaarlagen ontstaan.

Aangroei ten gevolge van andere oorzaken moet, als zijnde een nieuwe pensioenverplichting, wel worden gewaardeerd tegen de marktrente en de overlevingstafel in het jaar van aangroei. Ook pensioenverplichtingen die voortvloeien uit de aanpassing van pensioenregelingen aan wijzigingen van de fiscale regels voor pensioenopbouw als bijvoorbeeld de Wet VPL, de Wet VAP en de Wet Witteveen 2015, zijn in dit verband nieuwe pensioenverplichtingen.

B.1.5. Indexatie
De in onderdeel B.1.1. genoemde jurisprudentie maakt geen onderscheid tussen nominale en geïndexeerde verplichtingen. Het door de Hoge Raad voorgeschreven gebruik van de marktrente geldt ook voor geïndexeerde pensioenen. Artikel 3.26 Wet IB 2001 verhindert dat bij de bepaling van de winst kosten en lasten in aanmerking worden genomen die samenhangen met de wijzigingen in de hoogte van lonen en prijzen na afloop van het jaar. Artikel 3.28 Wet IB 2001 geeft specifiek voor pensioenverplichtingen aan wanneer een verband met wijzigingen in de hoogte van lonen of prijzen na afloop van het jaar niet aanwezig wordt geacht. Dat is het geval als de kosten en lasten van de pensioenverplichting betrekking hebben op een pensioengrondslag die is gebaseerd op een loon dat niet uitgaat boven het loon bij het einde van het jaar en bij de berekening van die kosten en lasten in feite een rekenrente in aanmerking is genomen van ten minste 4%. Als rekening wordt gehouden met een indexatieverplichting en wel zodanig dat het saldo van rekenrente en indexatiepercentage minimaal 4% bedraagt, wordt voor de toepassing van artikel 3.26 Wet IB 2001 geacht geen rekening te zijn gehouden met indexatie-elementen.

B.2. Waardering verzekerde pensioenverplichtingen

B.2.1. Algemeen
Bij het verzekeren van pensioenaanspraken bij het pensioenlichaam dienen partijen zakelijk te handelen. In het vervolg van dit besluit is uitgegaan van zakelijk handelende partijen.

Verzekerde pensioenverplichtingen, zowel ingegane als niet ingegane, moeten op de winstbepalende balans worden gewaardeerd tegen de grondslagen van het tarief, zoals dat heeft gegolden bij de vaststelling van de ontvangen premies of koopsommen. Daarbij geldt dat bij een stijging van de waarde van de verplichting als gevolg van een verzwaring – per saldo – van de grondslagen, de verplichting dienovereenkomstig hoger mag worden gewaardeerd en bij een nadien optredende verlichting – per saldo – van de grondslagen de verplichting dienovereenkomstig lager moet worden gewaardeerd, doch niet lager dan naar de, als zakelijk beoordeelde, tariefgrondslagen (vgl. HR 28 juni 2000, nr. 34.169, ECLI:NL:HR:2000:AA6313, HR 23 januari 2004, nr. 38.029 ECLI:NL:HR:2004:AI0416, en HR 1 september 2006, nr. 40.930, ECLI:NL:HR:2006:AU6038).

Een pensioenlichaam kan zijn stelsel van winstbepaling zo kiezen dat een pensioenverplichting op de balans wordt gewaardeerd op de hoogste van twee waarden: de ene berekend op basis van de grondslagen van het tarief, zoals dat heeft gegolden bij de vaststelling van de ontvangen premies of koopsommen, de andere berekend op basis van de grondslagen per balansdatum.

Slechts de fluctuaties in de grondslagen die zijn toe te rekenen aan de periode na het sluiten van de premieovereenkomst respectievelijk de ontvangst van de koopsom, zijn relevant voor de waardering van de verplichtingen. Als bij het bepalen van de premie of koopsom om zakelijk te achten redenen is afgeweken van hetgeen bij een levensverzekeraar gebruikelijk is, mag voor de balanswaarde van de pensioenverplichting niet worden uitgegaan van de grondslagen van een dergelijke verzekeraar, maar moeten de eigen grondslagen aan de opgetreden wijzigingen worden aangepast.

B.2.2. Vaststelling marktrente
Bij de waardering van de pensioenverplichtingen kunnen pensioenlichamen met inachtneming van het onderstaande gebruikmaken van hetgeen in onderdeel B.1.2. staat.

In de praktijk worden situaties geconstateerd waarin de gehanteerde tariefrente hoger ligt dan de marktrente in de zin van het besluit van 30 maart 2018, nr. 2018-2954 (Stcrt. 2018, 19762). Om te voorkomen dat door het gebruik van de marktrente uit dat besluit (vrijwel onmiddellijk) na het sluiten van de overeenkomst een niet geleden verlies tot uiting wordt gebracht, kan voor de waardering van de verplichtingen uit dergelijke overeenkomsten niet zonder meer een beroep op het marktrentebesluit worden gedaan. In de praktijk is het lastig de relevante marktrente voor langlopende leningen, die past bij de aard en de duur van de gesloten overeenkomst, te achterhalen. Om hiervoor een oplossing te bieden, keur ik het volgende goed.

Goedkeuring inzake aangepaste marktrente

Bij de waardering van pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen mag worden uitgegaan van een uit de oorspronkelijke tariefrente afgeleide, aangepaste marktrente op de balansdatum. Deze aangepaste marktrente wordt gevonden door de marktrente volgens het besluit van 30 maart 2018, nr. 2018-2954 (Stcrt. 2018, 19762) te corrigeren met het verschil tussen de overeengekomen tariefrente en de marktrente ingevolge dit besluit, geldend voor de maand waarin de premieovereenkomst is aangegaan respectievelijk de koopsom is ontvangen. Hiermee volgt de aangepaste marktrente per balansdatum de fluctuaties van de marktrente volgens dit besluit.

In die gevallen, waarin de tariefrente vóór 1 januari 2017 is overeengekomen, kan voor het vaststellen van de aangepaste marktrente gebruikgemaakt worden van de marktrente uit het marktrentebesluit zoals ik dat voorheen jaarlijks publiceerde, voor het laatst bij besluit van 7 maart 2017, nr. 2017-22042 (Stcrt. 2017, 15371).

De tariefrente kan onder omstandigheden lager zijn dan de op grond van artikel 3.29 Wet IB 2001 voor de waardering van pensioenverplichtingen en soortgelijke verplichtingen minimaal te hanteren rekenrente van 4%. In dat geval wordt onmiddellijk na de overname van de pensioenverplichting, een deel van de ontvangen premie of koopsom verplicht tot de fiscale jaarwinst gerekend (vgl. HR 16 oktober 2015, nr 13/04121, ECLI:NL:HR:2015:3082).

B.2.3. Sterftegrondslagen
Voor het pensioenlichaam geldt bij de waardering van de pensioenverplichtingen hetgeen is geregeld in artikel 8, zesde lid, Wet Vpb 1969 (tekst 2016). Daarin is bepaald dat geen overlevingstafel kan worden gehanteerd, waarin rekening is gehouden met verwachtingen omtrent toekomstige levensverwachtingen. Ook is daarbij aangegeven dat een leeftijdsterugstelling alleen kan worden toegepast ter correctie van het verschil tussen de gehanteerde overlevingstafel en een overlevingstafel van recentere datum.

Het hiervoor in B.2.2. genoemde arrest ECLI:NL:HR:2015:3082 is ook hier van belang. Als bij de tariefstelling is uitgegaan van een hogere toekomstige levensverwachting moet hier voor de fiscale balanswaardering van worden afgeweken krachtens voornoemd artikel 8, zesde lid, en leidt het aangaan van de verplichting fiscaal direct tot winst.

B.2.4. Indexatie
Zoals hierboven aangegeven, moet een pensioenlichaam bij de waardering van pensioenverplichtingen aansluiten bij de grondslagen waarop de ontvangen premies of koopsommen zijn gebaseerd. Als een pensioenlichaam premies of koopsommen heeft ontvangen, waarin een vergoeding zat voor toekomstige inflatie, mag de indexatieverplichting in zoverre worden gepassiveerd.

Indien bij het pensioenlichaam open geïndexeerde pensioenen zijn ondergebracht en de premies of de koopsom tegen een netto rekenrente van 4% zijn berekend, zal de verplichting ook met inachtneming van die netto rekenrente moeten worden bepaald, zonder dat verder met toekomstige inflatie rekening wordt gehouden. Is sprake van vast geïndexeerde pensioenen, voor welke indexatie in het verleden zakelijke premies of koopsommen zijn ontvangen, dan mag bij de waardering van de pensioenverplichting rekening worden gehouden met die vaste indexatie. Hetzelfde geldt voor de situatie waarin bij het pensioenlichaam een open geïndexeerd pensioen is verzekerd en waarbij voor de premie- of koopsomberekening is uitgegaan van een fictieve vaste indexatie (vgl. HR 14 april 2006, nr. 41.569, ECLI:NL:HR:2006:AW1747). Voor zover voor die fictieve vaste indexaties premies of koopsommen zijn ontvangen, komen de kosten niet ten laste van het pensioenlichaam. De actuariële oprenting van de (fictief) vast geïndexeerde verplichting wordt door mij niet aangemerkt als kosten en lasten als bedoeld in artikel 3.26 Wet IB 2001.
Wanneer bij de vaststelling van premies of koopsommen van jaar tot jaar een verschillend percentage is gehanteerd voor de fictieve vaste indexatie van een open geïndexeerd pensioen, moet het pensioenlichaam met deze verschillen rekening houden. De overgenomen verplichting kan dan niet met dezelfde berekeningsgrondslagen worden gewaardeerd. Ik verwijs in dit kader naar de jaarlagenproblematiek van onderdeel B.1.4. van dit besluit. Deze complicatie kan worden voorkomen door bij de vaststelling van de fictieve vaste indexatie, bestendig gebruik te maken van de goedkeuring uit onderdeel A.2.3. van dit besluit. In dat geval kan bij het bepalen van de balanswaarde rekening worden gehouden met 2% na-indexatie.

B.3. Waardering van zuivere lijfrenteverplichtingen
Wat betreft de waardering van zuivere lijfrenteverplichtingen kan worden gedacht aan de situaties waarin een stakingslijfrente is verzekerd bij een lichaam als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, Wet IB 2001, of een loonstamrecht is verzekerd bij een lichaam als bedoeld in artikel 39f Wet LB juncto artikel 11, eerste lid, onderdeel g, ten tweede, Wet LB 1964 (tekst 2013) en artikel 19a Wet LB 1964 (tekst 2013).

Hetgeen hiervoor in onderdeel B.2. is opgemerkt over de waardering van een verzekerde pensioenverplichting is van overeenkomstige toepassing op de waardering van een zuivere lijfrenteverplichting, met uitzondering van hetgeen in onderdeel B.2.3. is opgemerkt over de toepassing van artikel 8, zesde lid, Wet Vpb 1969 (tekst 2016).

B.4. Overgangsregeling rekenrente voor op 1 januari 2001 bestaande pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen

In HR 28 juni 2000, nr. 34.169, ECLI:NL:HR:2000:AA6313, is beslist dat alle – zowel ingegane als niet ingegane – pensioen- en lijfrenteverplichtingen op de winstbepalende balans moeten worden gewaardeerd tegen de geldende marktrente voor langlopende leningen. Om ten aanzien van, overeenkomstig de casus, nog niet ingegane uitkeringen tegemoet te komen aan het door eerdere jurisprudentie opgewekte vertrouwen, heeft de Hoge Raad voor pensioen- en lijfrenteverplichtingen een overgangsregeling geformuleerd. In onderdeel 3.7 van het arrest overweegt de Hoge Raad:
‘Aan het vertrouwen dat is gewekt door de hiervóór in 3.4 vermelde jurisprudentie moet op redelijke wijze worden tegemoetgekomen. Die jurisprudentie zal daarom haar gelding blijven behouden voor alle verplichtingen ter zake van pensioenen en lijfrenten die zijn aangegaan of overgenomen vóór 1 september 2000. Een toename van pensioenverplichtingen door de stijging van de diensttijd wordt daarbij niet aangemerkt als het aangaan van nieuwe verplichtingen, evenmin als een toename daarvan door een aanpassing aan de lonen en prijzen ten gevolge van een vóór 1 september 2000 gemaakt beding.’

Voor op 1 september 2000 bestaande verplichtingen mag derhalve de rekenrente worden toegepast die tot 28 juni 2000 als goedkoopmansgebruik werd aanvaard. In veel gevallen betekent dit een rekenrente van 4%.

Ik heb in het verleden goedgekeurd dat voor pensioenverplichtingen de datum 1 september 2000 wordt vervangen door 1 januari 2001. Als de pensioentoezegging is gedaan voor deze laatste datum, valt de gehele pensioenverplichting onder het begrip ‘bestaande verplichting’ in de zin van het arrest van de Hoge Raad.

B.5. Inbouw elders verzekerd kapitaal

B.5.1. Toepassing artikel 8, zesde lid, Wet Vpb 1969 (tekst 2016)
Op grond van artikel 8, zesde lid, Wet Vpb 1969 (tekst 2016) mogen met ingang van 1 januari 2004 bij de waardering van pensioenverplichtingen alleen nog leeftijdsterugstellingen worden toegepast ter correctie van het verschil tussen de gehanteerde overlevingstafel en de overlevingstafel van recente datum (technische correctie). Het komt regelmatig voor dat een pensioentoezegging gedeeltelijk elders is verzekerd op basis van een kapitaalverzekering met een in euro’s vastgesteld kapitaal. Voor het op de einddatum van de verzekering beschikbaar komende kapitaal worden tegen de alsdan geldende tarieven pensioenuitkeringen verworven. De werkgever vult het elders verzekerde deel van het pensioen aan tot het toegezegde pensioen. Bij de waardering van het in eigen beheer gehouden deel van de pensioenverplichtingen dient met het elders verzekerde deel rekening te worden gehouden. Dit kan met behulp van twee methoden: het verzekerde kapitaal wordt ingebouwd (inbouwmethode) of de uit het verzekerde kapitaal te herleiden pensioenuitkeringen worden ingebouwd (herleidingsmethode). In dit verband is de vraag opgekomen of bij de toepassing van de herleidingsmethode andere dan de in artikel 8, zesde lid, Wet Vpb 1969 (tekst 2016) bedoelde leeftijdsterugstellingen mogen worden toegepast. Ik beantwoord die vraag ontkennend. Omdat de herleiding onderdeel uitmaakt van de waardering van de op de belastingplichtige rustende pensioenverplichtingen dient ook bij de herleiding artikel 8, zesde lid, Wet Vpb 1969 (tekst 2016) te worden toegepast. Door bij de herleiding uit te gaan van leeftijdsterugstellingen wordt voor het in eigen beheer gehouden deel van de pensioenverplichtingen indirect met in artikel 8, zesde lid, Wet Vpb 1969 (tekst 2016) niet toegestane overlevingsgrondslagen gerekend. Bovendien ontstaat bij een herleiding met toepassing van leeftijdsterugstellingen een verschil in de waardering van het in eigen beheer gehouden deel van de pensioenverplichtingen afhankelijk van de directe inbouw van het verzekerde kapitaal of van de inbouw van de uit het verzekerde kapitaal herleide pensioenuitkeringen. Een dergelijk verschil in uitkomst tussen de beide methoden acht ik niet aanvaardbaar.

B.5.2. Samenhang met indexatiebepalingen
Bij de in onderdeel B.5.1. genoemde herleidingsmethode merk ik ten aanzien van de artikelen 3.26 tot en met 3.28 Wet IB 2001 het volgende op. Als bij de herleidingsmethode wordt uitgegaan van geïndexeerde pensioenuitkeringen heeft de premie deels betrekking op kosten als bedoeld in artikel 3.26 Wet IB 2001. In die situatie leidt artikel 3.27, tweede lid, Wet IB 2001 ertoe dat een deel van de premie – hoewel betaald aan een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.27, derde en vierde lid, Wet IB 2001, juncto artikel 10, tweede lid, URIB 2001 – niet aftrekbaar is. Het niet aftrekbare deel van de premies moet op de fiscale balans worden geactiveerd (vgl. HR 8 november 2002, nr. 37.443, ECLI:NL:HR:2002:AF0079, r.o. 4.3).

Met betrekking tot het hierboven in onderdeel B.5.1. en B.5.2. bepaalde verwijs ik naar de op www.belastingdienstpensioensite.nl gepubliceerde Handreiking fiscale behandeling elders verzekerd pensioen.

B.6. Waardering pensioenverplichting bij stelselwijziging na verbreking fiscale eenheid
Het kan zich voordoen dat een verzekerde pensioenverplichting als bedoeld in onderdeel B.2., als gevolg van het bestaan van een fiscale eenheid voor de heffing van de vennootschapsbelasting, wordt behandeld als een situatie van eigen beheer als bedoeld in onderdeel B.1. Dit is het geval wanneer de werkgever en het pensioenlichaam in dezelfde fiscale eenheid zijn opgenomen. Wanneer dit laatste niet langer het geval is, wordt de pensioenverplichting vanaf dat moment aangemerkt als een verzekerde pensioenverplichting als bedoeld in onderdeel B.2., waardoor voor de waardering van de pensioenverplichting stelselwijziging geboden is. Als in deze situaties het nieuwe stelsel leidt tot een hogere pensioenverplichting, kan het waarderingsverschil in het jaar van stelselwijziging ten laste van de winst worden gebracht, behoudens voor zover dit zou leiden tot het in aanmerking nemen van kosten en lasten als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, Wet IB 2001. Daarvan is sprake als na de stelselwijziging voor de fiscale balanswaarde van de pensioenverplichting rekening is gehouden met de indexatieverplichting, terwijl dit voor de stelselwijziging niet het geval was.

Goedkeuring bevriezingsmethode

Voor het geval waarin het nieuwe stelsel leidt tot een lagere waardering keur ik goed dat de zogenoemde bevriezingsmethode van artikel 31d Wet Vpb 1969 (tekst 2016) overeenkomstige toepassing vindt.

 

C. Ingetrokken regeling
Het besluit van 3 juli 2008, nr. CPP2008/447M (Stcrt. 2008, 133) wordt ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.

 

D. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Den Haag, 19 maart 2019

De Staatssecretaris van Financiën,
namens deze,
J. de Blieck
Lid van het managementteam Belastingdienst

1 behoudens de coulanceperiode tot en met 30 juni 2017 (zie het Besluit van 22 maart 2017, 2017-7412)

 

Andere vindplaats besluit: