Ga direct naar de inhoud
Naar de homepage van Centraal Aanspreekpunt Pensioenen

V&A 08-048 Gevolgen voor het partnerpensioen van de actuariële herrekening van het ouderdomspensioen

12 mei 2020 00:00

Dit V&A 08-048 behandelt de vraag wat de gevolgen zijn voor het partnerpensioen van de actuariële herrekening van het ouderdomspensioen bij vervroegde ingang van het pensioen.

Vraag

Ouderdomspensioen kan eerder ingaan dan de in de regeling vastgestelde pensioendatum. Indien het ouderdomspensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de 68-jarige leeftijd of de in de pensioenregeling vastgestelde latere pensioendatum, moet het pensioen op grond van artikel 18a, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 actuarieel worden herrekend. Wat zijn de gevolgen van deze actuariële herrekening voor het partnerpensioen?

Antwoord

De actuariële herrekening van het ouderdomspensioen bij vervroegde ingang van de pensioenuitkeringen heeft geen gevolgen voor het partnerpensioen.

Wel kan in de pensioenovereenkomst zijn bepaald dat bij vervroegde ingang van het ouderdomspensioen de oorspronkelijke verhouding tussen ouderdomspensioen en partnerpensioen gehandhaafd blijft. Door het handhaven van de oorspronkelijke verhouding tussen ouderdomspensioen en partnerpensioen vindt er dan een ruil van partnerpensioen naar ouderdomspensioen plaats. Als gevolg van deze uitruil, daalt het partnerpensioen.

Ter illustratie het volgende voorbeeld.

Voorbeeld (bedragen in €)
Een werknemer bouwt elk jaar een ouderdomspensioen op van 1,875% van de pensioengrondslag van het betreffende jaar (middelloonregeling). Het ouderdomspensioen gaat volgens de pensioenregeling in bij het bereiken van de 68-jarige leeftijd.

De jaarlijkse opbouw van het partnerpensioen is 1,313% van de pensioengrondslag van het betreffende jaar. Indien de werknemer overlijdt voor het bereiken van de pensioendatum, wordt het tot dan toe opgebouwde partnerpensioen aangevuld met het partnerpensioen over de toekomstige, ontbrekende dienstjaren tussen het moment van overlijden en de in de regeling opgenomen pensioendatum.

Het aantal bereikbare dienstjaren is 40 jaar. De gemiddelde pensioengrondslag bedraagt 60.000. Het tot pensioendatum op te bouwen ouderdomspensioen bedraagt 45.000 (40 jaar * 1,875% * 60.000). Het partnerpensioen bedraagt 31.512 (40 jaar * 1,313% * 60.000).

De werknemer besluit om het ouderdomspensioen op 63-jarige leeftijd te laten ingaan, de partner is dan 61 jaar. Op dat moment zijn er 35 dienstjaren verstreken. De gemiddelde pensioengrondslag blijft in het voorbeeld eenvoudigheidshalve 60.000. Op 63 jaar bedraagt het opgebouwde ouderdomspensioen (ingaande op 68 jaar) 39.375 (35 jaar * 1,875% * 60.000). De actuariële waarde van de op 63-jarige leeftijd opgebouwde pensioenaanspraken is 968.546. Deze waarde vormt het uitgangspunt voor de actuarieel neutrale herrekening.

De uitwerking van het voorbeeld zonder en met het handhaven van de oorspronkelijke verhouding tussen partnerpensioen en ouderdomspensioen luidt als volgt:

    1. Alleen het ouderdomspensioen wordt actuarieel herrekend bij de vervroegde ingang van het pensioen
      Na actuariële herrekening wordt de uitkering van het op 63 jaar vervroegd ingaande ouderdomspensioen 31.239. In deze situatie vindt alleen een actuariële herrekening van het vervroegd ingaande ouderdomspensioen plaats. Er is geen sprake van ruil tussen partnerpensioen en ouderdomspensioen.
    2. De oorspronkelijke verhouding tussen ouderdomspensioen en partnerpensioen blijft ook na het vervroegen van de ingangsdatum van het ouderdomspensioen gehandhaafd
      De tweede optie is om het partnerpensioen in de oorspronkelijke verhouding met het ouderdomspensioen te laten voortbestaan. Het partnerpensioen wordt lager door de verlaging van het aantal dienstjaren en door de ruil van partnerpensioen naar ouderdomspensioen. De partner zal (schriftelijk) moeten instemmen met deze ruil. Na herrekening bedraagt het ouderdomspensioen 32.835 en het partnerpensioen 22.994.

De berekeningen zijn uitgevoerd op de berekeningsdatum 1 januari 2020 en met inachtneming van de in Vraag & Antwoord 13-006 vermelde rekengrondslagen (sterftekansen en rekenrente), en uitgaande van continue uitkeringen.

Let op!

Indien de werknemer nog aanspraken opbouwt in de pensioenregeling zal het (gedeeltelijk) beëindigen van de dienstbetrekking bij de vervroegde pensionering in principe wel invloed hebben op de voor het partnerpensioen te hanteren pensioengevende diensttijd. Door het (gedeeltelijk) beëindigen van de dienstbetrekking bij de vervroegde ingang van de pensioenuitkeringen, neemt het aantal voor het partnerpensioen in aanmerking te nemen (bereikbare) dienstjaren immers af.

In de volgende situaties zal de vervroegde pensionering echter geen gevolgen hebben voor de pensioengevende diensttijd voor het partnerpensioen.

De pensioengevende diensttijd blijft allereerst in stand wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 10a, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 2011. Daar is geregeld dat geen vermindering van de pensioengevende diensttijd hoeft plaats te vinden bij het aanvaarden van een deeltijdfunctie in de periode van 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum. De omvang van het dienstverband mag na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager zijn dan 50% van de omvang van het dienstverband direct voorafgaand aan de 10-jaarsperiode.

Het is verder ook mogelijk dat de dienstbetrekking ongewijzigd wordt voortgezet bij de vervroegde ingang van het ouderdomspensioen. In dat geval neemt het aantal voor het partnerpensioen in aanmerking te nemen (bereikbare) dienstjaren ook niet af. Zolang de dienstbetrekking blijft bestaan, is sprake van pensioengevende diensttijd die voor de opbouw van het partnerpensioen in aanmerking kan worden genomen.

Tot slot kan sprake zijn van vervroegde ingang van slapersrechten. In dat geval is de pensioenopbouw al eerder geëindigd. De vervroegde pensionering heeft dan uiteraard geen gevolgen voor de voor het partnerpensioen in aanmerking te nemen (bereikbare) dienstjaren.

 

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 13 van het vervallen besluit CPP2003/530M (besluit van 29 augustus 2003)