Ga direct naar de inhoud
Naar de homepage van Centraal Aanspreekpunt Pensioenen

V&A 13-007 Uitkeringsperiode periodieke uitkeringen uit een loonstamrecht

19 december 2019 12:32

Een periodieke uitkering is afhankelijk van een onzekere gebeurtenis. Dit V&A 13-007 behandelt een vraag over de minimale duur van een van het leven afhankelijke uitkering, in relatie tot het begrip onzekere gebeurtenis.

Inleiding

Met ingang van 1 januari 2014 kunnen geen nieuwe loonstamrechten meer ontstaan. Onder een loonstamrecht wordt verstaan een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Wet LB zoals dat op 31 december 2013 luidde. Het overgangsrecht voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten is opgenomen in artikel 39f Wet LB. Artikel 39f, eerste lid, Wet LB bepaalt dat voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten de artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing blijven. Artikel 39f, tweede lid, Wet LB maakt het (in afwijking van het eerste lid) mogelijk het stamrechtvermogen in geheel of gedeeltelijk eerder op te nemen. Indien het loonstamrecht na de uiterste wettelijke ingangsdatum gedeeltelijk eerder wordt uitgekeerd, moet de na de vervroegde uitkering resterende waarde van het loonstamrecht direct in aansluiting op de vervroegde uitkering in termijnen worden uitgekeerd.

Vraag

Een natuurlijk persoon koopt op de uiterste datum met het stamrechtvermogen een loonstamrecht in termijnen aan. Hij is geen kind of pleegkind in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, 1┬║, Wet LB (tekst 2013). Welke uitkeringsperiode moet een loonstamrecht in termijnen op het leven van deze persoon minimaal hebben tussen de eerste en de laatste uitkering?

Antwoord

De minimale uitkeringsperiode van een loonstamrecht hangt af van de leeftijd van deze stamrechtgerechtigde op het moment van het ingaan van de uitkeringen. Om te weten hoe lang deze periode minimaal moet zijn, kunnen de stamrechtdebiteur en de stamrechtgerechtigde de tabel gebruiken van artikel 3.4, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (URLB) (tekst 2013).

Toelichting

Volgens de definitie van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB (tekst 2013) moet de uitkering uit het loonstamrecht een periodieke uitkering zijn. De uitkeringsperiode van een dergelijke uitkering pleegt afhankelijk te zijn van het leven van de uitkeringsgerechtigde. De lengte van de uitkeringsperiode is daardoor onzeker. Er moet echter wel voldoende onzekerheid zijn over die periode. De verzekeraar van het loonstamrecht moet voldoende kans hebben op voordeel als gevolg van het overlijden van de stamrechtgerechtigde.

De Hoge Raad heeft bepaald dat een periodieke uitkering aan iemand die op het ingangsmoment van de uitkering een sterftekans heeft van ongeveer 1% (exact: 0,94%) voldoende onzekerheid biedt om te kunnen spreken van een periodieke uitkering in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB (tekst 2013). Zie Hoge Raad, 30 oktober 1991, nr. 27 215 (ECLI:NL:HR:1991:ZC4756). Op grond van dit arrest kan een tabel worden gemaakt van minimaal vereiste uitkeringsperioden tussen de eerste en de laatste uitkering, behorende bij elke leeftijd bij ingang van het loonstamrecht.

Voor uitkeringen in termijnen afkomstig van stamrechtspaarrekeningen of stamrechtbeleggingsrechten is een dergelijke tabel van minimale perioden tussen de eerste en de laatste uitkering opgenomen in artikel 3.4, eerste lid, URLB (tekst 2013). Deze tabel is opgesteld met analoge toepassing van het bovengenoemde arrest voor uitkeringen in termijnen. Het ligt voor de hand om voor de periodieke uitkeringen uit een loonstamrecht dezelfde tabel te hanteren als veilig uitgangspunt voor de sterftekans. Een redelijke wetsuitleg brengt daarom met zich mee dat een voorziene uitkeringsperiode van een loonstamrecht die in overeenstemming is met de tabel van artikel 3.4, eerste lid, URLB (tekst 2013), altijd geacht wordt een sterftekans van tenminste 0,94% op te leveren.