Ga direct naar de inhoud
Naar de homepage van Centraal Aanspreekpunt Pensioenen

V&A 18-009 Wettelijke gevolgen verstrijken uiterste tijdstip voor aankoop van een recht op pensioen- of loonstamrechtuitkeringen bij expiratie of deblokkering

19 december 2019 12:13

Dit V&A 18-009 behandelt de vraag wat de fiscale gevolgen zijn van het laten verstrijken van het uiterste tijdstip voor de aankoop van een recht op pensioen- of loonstamrechtuitkeringen nade expiratie van een pensioen- of loonstamrechtpolis of bij de deblokkering van een loonstamrechtspaarrekening of een loonstamrechtbeleggingsrecht.

Vraag

De fiscale wet- en regelgeving stelt bij de expiratie van een pensioen- of loonstamrechtpolis of bij de deblokkering van een loonstamrechtspaarrekening of een loonstamrechtbeleggingsrecht een uiterst tijdstip voor de aankoop van een recht op pensioen- of loonstamrechtuitkeringen. Hierbij kan onder omstandigheden een redelijke termijn in acht worden genomen (zie Vraag & Antwoord 10-001). Welke fiscale gevolgen verbindt de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) aan het verstrijken van dit uiterste tijdstip, dan wel van de redelijke termijn voor de aankoop van een recht op pensioen- of loonstamrechtuitkeringen?

Antwoord

Door het verstrijken van het uiterste tijdstip, dan wel van de redelijke termijn voor aankoop van een pensioen- of loonstamrechtuitkering treedt artikel 19b, eerste lid, onderdeel a, Wet LB in werking. Er is dan geen sprake meer van een pensioen- en/of loonstamrechtregeling in de zin van de Wet LB. In dat geval wordt de waarde van de pensioen- of loonstamrechtaanspraak op het tijdstip dat onmiddellijk vooraf gaat aan het verstrijken van het uiterste tijdstip, dan wel van de redelijke termijn, aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer dan wel, indien deze is overleden, van de gerechtigde tot de aanspraak. De uitvoerder van het pensioen of het loonstamrecht moet op dat moment de verschuldigde loonheffingen inhouden en afdragen en kan de eventuele netto-uitkeringen reserveren tot deze door de gerechtigde worden opgevraagd.

Toelichting uiterste tijdstip en redelijke termijn

Een ouderdomspensioen mag niet later in gaan dan op het tijdstip waarop de werknemer of de gewezen werknemer de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet. Een loonstamrecht mag niet later ingaan dan in het jaar waarin de werknemer of de gewezen werknemer de pensioengerechtigde leeftijd, als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt.

Een partner- of wezenpensioen mag niet later in gaan dan op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de werknemer of gewezen werknemer is overleden dan wel, ingeval de partner of de wees recht heeft op een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, niet later dan op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin dat recht eindigt. Een loonstamrecht ten behoeve van de partner en/of wezen gaat in bij het overlijden van de werknemer of de gewezen werknemer.

In de hiervoor beschreven situaties mag onder bepaalde omstandigheden een redelijke termijn in acht worden genomen (zie Vraag & Antwoord 10-001).

Let op!

  • Met ingang van 1 januari 2014 kunnen geen nieuwe loonstamrechten meer ontstaan. Onder een loonstamrecht wordt verstaan een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37 Wet LB zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Wet LB zoals dat op 31 december 2013 luidde. Het overgangsrecht voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten is opgenomen in artikel 39f Wet LB. Artikel 39f, eerste lid, Wet LB bepaalt dat voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten de artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37 Wet LB, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing blijven.
  • Artikel 39f, tweede lid, Wet LB maakt het (in afwijking van het eerste lid) mogelijk het stamrechtvermogen geheel of gedeeltelijk eerder uit te keren. Indien het loonstamrecht na de uiterste wettelijke ingangsdatum gedeeltelijk eerder wordt uitgekeerd, moet de na de vervroegde uitkering resterende waarde van het loonstamrecht direct in aansluiting op de vervroegde uitkering in termijnen worden uitgekeerd.
  • Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat in dit V&A niet de situatie is beschreven van het verstrijken van een uiterst tijdstip dan wel de wettelijke termijn van artikel 3.133, derde lid, van de Wet IB 2001, zoals van toepassing voor de lijfrenten of andere periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 34 Wet LB juncto artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.