Ga direct naar de inhoud
Naar de homepage van Centraal Aanspreekpunt Pensioenen

V&A 19-007 Negatieve marktrente oprenten oudedagsverplichting

31 december 2019 07:48

Dit V&A 19-007 behandelt de vraag of ingeval van een negatieve marktrente voor het oprenten van een oudedagsverplichting uitgegaan moet worden van dat negatieve rentepercentage.

Inleiding

In artikel 38p van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) zijn de fiscale voorwaarden opgenomen voor de uitvoering van een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting (ODV). Het eerste lid van artikel 38p Wet LB bepaalt dat de ODV jaarlijks moet worden verhoogd met een bij ministeriële regeling bepaalde marktrente. De voor de oprenting van de ODV te gebruiken marktrente is opgenomen in artikel 12.3a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (URLB). Deze marktrente is het rekenkundig gemiddelde van de maandelijks door het Centrum voor Verzekeringsstatistiek van het Verbond van Verzekeraars gepubliceerde U-rendementen over de maanden van het voorafgaande kalenderjaar.

Vraag

Het rekenkundig gemiddelde van de maandelijks door het Centrum voor Verzekeringsstatistiek van het Verbond van Verzekeraars gepubliceerde U-rendementen over 2019 is negatief (-0,107%). Heeft dit tot gevolg dat de voor de oprenting van de ODV te gebruiken marktrente van artikel 12.3a URLB per 1 januari 2020 vastgesteld zal worden op een negatief percentage? En is het dan verplicht om de ODV op te renten met het negatieve marktrentepercentage?

Antwoord

Negatieve marktrente

Ja, in artikel II, lid I van de Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 18 december 2019 tot wijziging van onder meer enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen, nr. 2019-0000199975 (Regeling) is opgenomen dat de marktrente voor het oprenten van een ODV per 1 januari 2020 vastgesteld zal worden op -0,107%. In artikel 12.3a URLB is geen ondergrens opgenomen voor de marktrente. Zoals ook is opgemerkt in de toelichting van de Regeling is de marktrente van artikel 12.3a URLB het rekenkundig gemiddelde van de U-rendementen over de maanden van het voorafgaande kalenderjaar. Indien dit rekenkundig gemiddelde negatief is, wordt ook de marktrente van artikel 12.3a URLB voor het oprenten van de ODV vastgesteld op een negatief percentage.

De mogelijkheid van een negatieve marktrente voor het oprenten van de ODV is ook aan de orde geweest tijdens de parlementaire behandeling van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen. Bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer is in de Memorie van Antwoord naar aanleiding van een door de NOB gestelde vraag het volgende opgemerkt:

De NOB vraagt of het gemiddelde U-rendement dat dient ter oprenting van de oudedagsverplichting negatief mag zijn of dat er een bodem in ligt van 0%. Het gemiddelde U-rendement volgt de ontwikkeling van de maandelijks door het Centrum voor Verzekeringsstatistiek gepubliceerde U-rendementen. Als gevolg daarvan is het mogelijk dat een toekomstig gemiddeld U-rendement ook negatief kan zijn. Er is geen ondergrens bepaald.
(Kamerstukken 2016/17, 34 552, nr. E, blz. 82).

ODV verplicht oprenten met negatieve marktrente?

Artikel 38p, eerste lid, Wet LB bepaalt dat de ODV jaarlijks wordt verhoogd met de bij ministeriële regeling bepaalde marktrente. Fiscaal is het echter niet toegestaan om de oprenting van de ODV ingeval van een negatieve marktrente geheel of gedeeltelijk achterwege te laten. In dit geval moet ‘verhoogd’ namelijk algebraïsch worden opgevat. Dit volgt uit de tekst van artikel 38p, eerste lid, Wet LB en de toelichting op die bepaling. In de Memorie van Toelichting van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen is hierover het volgende opgemerkt:

Het eerste lid van genoemd artikel 38p regelt dat een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting jaarlijks verplicht wordt verhoogd met een bij ministeriële regeling bepaalde marktrente. In deze ministeriële regeling zal worden aangesloten bij het zogenoemde U-rendement zoals dat maandelijks bekend wordt gemaakt door het Verbond van Verzekeraars.
(Kamerstukken 2016/17, 34 555, nr. 3, blz. 36).

Bovendien blijkt uit het hiervoor al opgenomen antwoord op de door de NOB gestelde vraag, dat de voor de verplichte oprenting van de ODV te hanteren marktrente van artikel 12.3a URLB ook negatief kan zijn.

Indien de marktrente van artikel 12.3a URLB negatief wordt vastgesteld, zal de verplicht toe te passen oprenting van de ODV leiden tot een afname van de ODV. In de situatie dat de termijnen van de ODV reeds zijn ingegaan, zal de negatieve oprenting van de ODV een verlaging van de toekomstige ODV-termijnen tot gevolg hebben.

Bij het geheel of gedeeltelijk achterwege laten van de (negatieve) oprenting van de ODV wordt niet meer voldaan aan de fiscale voorwaarden zoals die gelden voor de ODV. In dat geval wordt de ODV fiscaal onzuiver. De waarde van de ODV wordt dan op grond van artikel 38p, vierde lid, Wet LB juncto artikel 19b Wet LB (tekst 2016) tot het loon uit een vroegere dienstbetrekking van de aanspraakgerechtigde gerekend. Bovendien zal de aanspraakgerechtigde dan revisierente verschuldigd zijn.