Ga direct naar de inhoud

V&A 21-004 Einde overgangsrecht levensloopregelingen en pensioengevende diensttijd

1 april 2021 14:21

Dit V&A 21-004 behandelt de gevolgen van het beëindigen van het overgangsrecht voor levensloopregelingen voor de mogelijkheid van pensioenopbouw tijdens levensloopverlof.

Inleiding

Op 1 januari 2022 komt een einde aan het overgangsrecht voor levensloopregelingen. Om de afwikkeling van de levensloopregelingen goed te laten verlopen is vanaf 1 januari 2021 in artikel 39d, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) een fictief genietingsmoment opgenomen op 1 november 2021.

Tot en met 31 oktober 2021 blijft de huidige mogelijkheid bestaan om de waarde van de levensloopaanspraak op te nemen door middel van het op verzoek geheel of gedeeltelijk via de (ex-)werkgever laten uitbetalen van de waarde van de levensloopaanspraak of om te zetten in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling

Op 1 november 2021 wordt de nog niet eerder belaste of in een pensioenaanspraak omgezette levensloopaanspraak belast als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Indien de betreffende (gewezen) werknemer aan het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt, wordt de levensloopaanspraak belast als loon uit vroegere dienstbetrekking (zie ook V&A 20-011).

Vraag

Welke gevolgen heeft het op 1 november 2021 belasten van de resterende levensloopaanspraak voor de pensioenopbouw van werknemers die eerder met de werkgever afspraken hebben gemaakt om tot en met 31 december 2021 levensloopverlof op te nemen?

Antwoord

Perioden van verlof tellen in beginsel mee als pensioengevende diensttijd zolang de dienstbetrekking voortduurt. Dit vloeit voort uit artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Daarbij is de aard van het verlof (zoals ouderschapsverlof, levensloopverlof of sabbatsverlof) niet van belang.

Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2021 in de Eerste Kamer is in de Nota naar aanleiding van het Verslag (kamerstukken 35573, nr. C) ten aanzien van het wijzigen van het heffingsmoment voor de levensloopregeling het volgende opgemerkt:

Indien deelnemers met hun werkgever hebben afgesproken om het levenslooptegoed in te zetten door de tweede helft van 2021 verlof op te nemen, betekent dit dat de uitkering over de maanden november en december uiterlijk op het fictieve genietingsmoment wordt belast met loonheffing. Werknemers kunnen in overleg met hun werkgever aanvullend afspreken dat zij de periode november en december van het jaar 2021 onbetaald verlof opnemen. Met de uitbetaling van het restant van levenslooptegoed voor november en december op het fictieve genietingsmoment kunnen zij deze periode van onbetaald verlof overbruggen.

De periode van onbetaald verlof over de maanden november en december 2021 kan in deze situatie in aanmerking worden genomen als pensioengevende diensttijd. Voor zover nodig kunnen werkgever en werknemer hierover aanvullende afspraken maken.

Voor het antwoord op de vraag hoe wordt omgegaan met reeds gemaakte afspraken over de opname van levensloopverlof zie V&A 21-002.