Go directly to content
Naar de homepage

Vervallen V&A 08-037 Wijziging uitvoering pensioenregeling door pensioenuitvoerder en pensioengerechtigde na het einde van de tegenwoordige dienstbetrekking d.d. 210616

21 juni 2016 15:23

Deze versie van het Vraag & Antwoord is vervangen door Vraag & Antwoord 08-037 d.d. 10 november 2017.

Artikel 18 Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 18, eerste lid, onderdeel a, Wet op de loonbelasting 1964

Wijziging uitvoering pensioenregeling door pensioenuitvoerder en pensioengerechtigde na het einde van de tegenwoordige dienstbetrekking (Vraag & Antwoord 08-037 d.d. 210616)

Vraag
Bij de uitvoering van pensioenregelingen blijkt soms behoefte te bestaan bij pensioengerechtigden (de ex-werknemer of diens nabestaanden) om de wijze van uitvoering van de regeling te wijzigen. Dit gebeurt dan na het einde van de tegenwoordige dienstbetrekking in een overeenkomst met de pensioenuitvoerder. De voormalige werkgever is hier vaak niet bij betrokken. Zijn dergelijke wijzigingen uit fiscaal oogpunt toegestaan?

Antwoord
Ja, dergelijke wijzigingen in een pensioenregeling ontmoeten fiscaal geen bezwaar onder de voorwaarde dat ze niet in strijd komen met de voorwaarden en grenzen van hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) en artikel 38a Wet LB (tekst 2004). Dat is het geval indien de wijziging ook zou zijn toegestaan indien zij op hetzelfde tijdstip zou zijn overeengekomen tussen de voormalige werkgever en de pensioengerechtigde.

Voorbeelden

Voor de pensioengerechtigde ex-werknemer zelf zijn de volgende voorbeelden te noemen:

  • Vervroegde ingang van de pensioenuitkeringen. Voorwaarde voor vervroeging is dat het arbeidzame leven van de ex-werknemer op de vervroegde datum is beëindigd (bij een deeltijdpensioen: naar rato). De pensioenregeling moet immers ook bij vervroeging het karakter behouden van een (loonvervangende) inkomensvoorziening in de zin van artikel 18, eerste lid, onderdeel a, Wet LB. Zie ook Vraag en Antwoord 08-014.
  • Wijziging in de verhouding ouderdomspensioen en partnerpensioen. Deze vorm van ruil dient te blijven binnen de grenzen van artikel 18d, tweede lid, Wet LB en te voldoen aan de voorwaarden van artikel 18d, eerste lid, onderdeel d, Wet LB. Het partnerpensioen (inclusief eventueel bijzonder partnerpensioen) mag niet meer gaan bedragen dan 70% van het laatst geldend pensioengevend loon. De grens geldt voor de som van alle partnerpensioenen die uit de regeling zijn voortgevloeid of gaan voortvloeien.

Voor de pensioengerechtigde ex-werknemer en zijn pensioengerechtigde nabestaande partner zijn de volgende wijzingen uit fiscaal oogpunt in ieder geval toegestaan:

  • Variabilisering in de hoogte van de uitkeringen uit het ouderdomspensioen en het partnerpensioen binnen de grenzen en onder de voorwaarden van artikel 18d, eerste lid, onderdeel b, Wet LB (verhouding maximaal 100:75).
  • (Gedeeltelijke) omzetting van een indexatierecht in een hogere aanvangsuitkering. Na deze omzetting dient een ouderdomspensioen te blijven binnen de grenzen van artikel 18a, eerste, tweede, derde en zevende lid, Wet LB. In geval van een partnerpensioen moet het aldus verhoogde pensioen blijven binnen de grenzen van artikel 18b, eerste, tweede, derde en zevende lid, Wet LB.

In alle gevallen dient de herrekening plaats te vinden met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen.

De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 1 van het vervallen besluit CPP2003/530M (besluit van 29 augustus 2003)