Ga direct naar de inhoud

Vervallen V&A 08-048 Gevolgen voor het partnerpensioen van de actuariële herrekening van het ouderdomspensioen 110209

Publicatiedatum 11-02-2009

Vraag

Ouderdomspensioen kan eerder ingaan dan de in de regeling vastgestelde pensioendatum. Indien het ouderdomspensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd of de in de pensioenregeling vastgestelde latere pensioendatum, moet het pensioen op grond van artikel 18a, zesde lid, van de Wet LB actuarieel worden herrekend. Wat zijn de gevolgen voor het partnerpensioen?

Antwoord

Het partnerpensioen wordt altijd door de vervroegde pensionering beïnvloed. Omdat het aantal deelnemingsjaren afneemt, wordt ook het partnerpensioen naar evenredigheid verlaagd.
Bij de actuariële herrekening van het vervroegd ingaande ouderdomspensioen zijn er voor het partnerpensioen twee mogelijkheden:

  1. De omvang van het partnerpensioen wordt alleen aangepast aan het lagere aantal (bereikbare) dienstjaren.
  2. De oorspronkelijke verhouding tussen ouderdomspensioen en partnerpensioen blijft ook na het vervroegen van de ingangsdatum van het ouderdomspensioen gehandhaafd. In dit geval vindt een dubbele verlaging plaats van het partnerpensioen. Naast de verlaging door het lagere aantal (bereikbare) dienstjaren vindt nog een verlaging plaats door ruil van partnerpensioen naar ouderdomspensioen.

Ter illustratie het volgende voorbeeld.

Voorbeeld (bedragen in €)

Een werknemer bouwt een ouderdomspensioen op van 2% per jaar (eindloonregeling). Het ouderdomspensioen gaat volgens de pensioenregeling in bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Het partnerpensioen bedraagt per (bereikbaar) dienstjaar 1,4% van de pensioengrondslag (pensioengevend loon minus franchise) van 100.000. Er wordt voor het partnerpensioen rekening gehouden met het aantal dienstjaren dat bereikt kan worden indien de dienstbetrekking tot de in de regeling vastgestelde pensioendatum wordt voortgezet. Het aantal bereikbare dienstjaren is 35 jaar. Het bereikbare ouderdomspensioen bedraagt 70.000 (35 jaar * 2% * 100.000). Het partnerpensioen bedraagt 49.000 (35 jaar * 1,4% * 100.000).

De werknemer besluit om het ouderdomspensioen op 60-jarige leeftijd te laten ingaan, de partner is dan 58 jaar. Op dat moment zijn er 30 dienstjaren verstreken. Op 60 jaar bedraagt het opgebouwde ouderdomspensioen (ingaande op 65 jaar) 60.000. De actuariële waarde van de op 60-jarige leeftijd opgebouwde pensioenaanspraken is 656.257. Deze koopsom vormt het uitgangspunt voor de actuarieel neutrale herrekening.

De uitwerking van het voorbeeld luidt voor de twee hiervóór genoemde mogelijkheden als volgt:

1. De omvang van het partnerpensioen wordt alleen aangepast aan het lagere aantal (bereikbare) dienstjaren

Het vervroegen van de feitelijke pensioeningangsdatum naar 60 jaar heeft tot gevolg dat het aantal bereikbare dienstjaren wordt verlaagd van 35 naar 30 jaar. Het partnerpensioen wordt hierdoor evenredig lager: 30 jaar * 1,4% * 100.000 = 42.000. Na actuariële herrekening wordt de uitkering van het op 60 jaar vervroegd ingaande ouderdomspensioen 38.979. In deze situatie vindt alleen een actuariële korting van het vervroegd ingaande ouderdomspensioen plaats. Er is geen sprake van ruil tussen partnerpensioen en ouderdomspensioen.

2. De oorspronkelijke verhouding tussen ouderdomspensioen en partnerpensioen blijft ook na het vervroegen van de ingangsdatum van het ouderdomspensioen gehandhaafd

De tweede optie is om het partnerpensioen in de oorspronkelijke verhouding met het ouderdomspensioen te laten voorbestaan. Het partnerpensioen wordt lager door de verlaging van het aantal dienstjaren en door de ruil van partnerpensioen naar ouderdomspensioen. Op grond van artikel 60, van de PW zal de partner moeten instemmen met deze ruil. Na herrekening komen het ouderdomspensioen en het partnerpensioen op de volgende bedragen uit: ouderdomspensioen 42.784 en partnerpensioen 29.949.

De berekeningen zijn uitgevoerd met behulp van de Overlevingstafels GBM/GBV 1995-2000, zonder leeftijdscorrectie, continu uitkeringen en een rekenrente van 4%.

De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 13 van het vervallen besluit CPP2003/530M (besluit van 29 augustus 2003)

Deel deze pagina