Go directly to content
Naar de homepage

V&A 08-060 Toegestane overschrijding van de 100%-grens door onderlinge ruil van pensioensoorten d.d. 101117

10 november 2017 15:23

Artikel 18d Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 18d, eerste lid, onderdeel d, Wet op de loonbelasting 1964

Onderlinge ruil van pensioensoorten (Vraag & Antwoord 08-060 d.d. 101117)

Vraag
In artikel 18d, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) wordt voor het ouderdoms-, partner- en wezenpensioen overschrijding toegestaan van de maxima van de artikelen 18a, 18b en 18c Wet LB, indien dit het gevolg is van een gehele of gedeeltelijke onderlinge ruil van pensioensoorten.

Geeft artikel 18d, eerste lid, onderdeel d, Wet LB een limitatieve opsomming van de toegestane ruilmogelijkheden?

Antwoord
Nee, de mogelijkheden en onmogelijkheden van onderlinge ruil van pensioensoorten worden in eerste instantie bepaald door de inhoud van de pensioenregeling. De in de pensioenregeling aangeboden ruilmogelijkheden hoeven zich dus niet te beperken tot de pensioensoorten genoemd in artikel 18d, eerste lid, onderdeel d, Wet LB. Zo kunnen opgebouwde rechten uit een overbruggingspensioen worden uitgeruild tegen hogere rechten op ouderdoms-, partner- of wezenpensioen. Dergelijke, niet in artikel 18d, eerste lid, onderdeel d, Wet LB genoemde vormen van ruil dienen wel te voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • De pensioenen blijven na de ruil binnen de grenzen van de artikelen 18a, 18b, 18c, 18e (tekst 2004) en 38a (tekst 2004) Wet LB.
  • Rechten die zijn gebaseerd op gestorte (risico)premies voor het verzekeren van het verschil tussen het opgebouwde partnerpensioen en het bereikbare partnerpensioen kunnen niet worden geruild voor hogere pensioenrechten met een opbouwkarakter. Hetzelfde geldt voor rechten die voortvloeien uit gestorte premies voor pensioenen met een risicokarakter zoals het nabestaandenoverbruggingspensioen en het arbeidsongeschiktheidspensioen. Zie ook Vraag en Antwoord 08-067.
  • De ruil moet plaatsvinden op basis van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen.
  • Ruil kan niet meer plaatsvinden nadat één van de daarbij betrokken pensioenen is ingegaan.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 8 van het vervallen besluit CPP2003/1610M (besluit van 10 februari 2004).