Go directly to content
Naar de homepage

Vervallen V&A 10-001 Redelijke termijn voor de aankoop van een recht op pensioen- of stamrechtuitkeringen bij expiratie of deblokkering d.d. 271017

27 oktober 2017 15:23

Deze versie van het Vraag & Antwoord is vervangen doorVraag & Antwoord 10-001 d.d. 20 juni 2019.

Artikel 39f Wet op de loonbelasting 1964, artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2013), artikel 11a Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2013), artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964, artikel 18b Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 18c Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2013), artikel 11a Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2013), artikel 18a, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964, artikel 18b, zesde lid, Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 18c, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964

Redelijke termijn voor de aankoop van een recht op pensioen- of stamrechtuitkeringen bij expiratie of deblokkering (Vraag & Antwoord 10-001 d.d. 271017)

Vraag
In de praktijk blijkt behoefte te bestaan aan meer duidelijkheid over de redelijke fiscale termijn voor de aankoop van een recht op pensioen- of stamrechtuitkeringen bij de expiratie van een pensioen- of stamrechtpolis of bij de deblokkering van een stamrechtspaarrekening of een stamrechtbeleggingsrecht. Bij een dergelijke expiratie of deblokkering hebben belanghebbenden een redelijke termijn nodig voor oriëntatie en voor de beoordeling van eventuele offertes.

Wat is in deze situaties een redelijke termijn na de overeengekomen expiratiedatum of overeengekomen datum van deblokkering waarbinnen de uitkeringen moeten zijn ingegaan?

Antwoord
Voor de invulling van het begrip redelijke termijn na de overeengekomen expiratie- of deblokkeringsdatum bij ingang van de uitkeringen van een pensioen of een stamrecht is het nodig een onderscheid te maken naar de situatie bij leven en de situatie bij overlijden.

Uitkering bij leven
Als de eerste gerechtigde tot de uitkeringen uit het pensioen of het stamrecht op de expiratie- of deblokkeringsdatum nog in leven is, kan in alle gevallen een termijn van zes maanden na de overeengekomen expiratie- of deblokkeringsdatum als redelijk worden aangemerkt. Ten aanzien van pensioenpolissen, moet hierop de volgende nuancering worden aangebracht.

In de tussen werkgever en werknemer gesloten pensioenovereenkomst zal met inachtneming van artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) een standaard ingangsdatum van de pensioenuitkeringen zijn opgenomen. De feitelijke ingangsdatum van het pensioen kan afwijken van de expiratiedatum van de onderliggende pensioenpolis. Dit zal zich bijvoorbeeld voordoen in de situatie dat de ingangsdatum van de pensioenuitkeringen wordt uitgesteld. Uitstel is mogelijk tot uiterlijk het tijdstip waarop de (gewezen) werknemer de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de voor de hem/haar geldende AOW-leeftijd (artikel 18a, vierde lid, Wet LB). Bij uitgestelde ingang van de pensioenuitkeringen zal de expiratiedatum van de eerder gesloten pensioenpolis vóór de uitgestelde pensioeningangsdatum liggen. Indien de periode tussen de expiratiedatum van de pensioenpolis en de uitgestelde pensioeningangsdatum langer is dan zes maanden wordt de hiervoor genoemde redelijke termijn van zes maanden vervangen door de periode tussen de expiratiedatum van de pensioenpolis en de uitgestelde pensioeningangsdatum.

Uitkering voor nabestaanden
Als de expiratie of de deblokkering het gevolg is van het overlijden van de eerste gerechtigde tot de uitkeringen uit het pensioen of het stamrecht, kan in alle gevallen een termijn van 12 maanden na de expiratie- of deblokkeringsdatum redelijk worden genoemd.

In de situatie waarin het niet mogelijk is om de uitkeringen in te laten gaan binnen één van de hierboven gestelde termijnen, zal de gerechtigde tot het pensioen, het stamrecht, de stamrechtspaarrekening of het stamrechtbeleggingsrecht tegenover de inspecteur aannemelijk moeten maken dat in zijn geval de redelijke termijn nog niet is verstreken.

Nadere toelichting

  • Voor alle duidelijkheid zij hier vermeld dat de bovenstaande termijnen ertoe kunnen leiden dat het pensioen of het stamrecht later ingaat dan de uiterste ingangsdatum die de Wet LB voor de betreffende uitkering toestaat. Hieraan zijn geen fiscale gevolgen verbonden.
  • De bovenstaande termijnen gelden in geval van een overeengekomen pensioen of stamrecht alleen in die gevallen waarin de hoogte van de uitkering niet reeds van tevoren vaststaat. De termijnen gelden derhalve niet bij eindloon- of middelloonpensioenen dan wel pensioenen uit een beschikbare-premieregeling waar de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering. De termijnen gelden evenmin bij stamrechten waarbij de hoogte van de uitkeringen al in de stamrechtovereenkomst is overeengekomen.
  • De bovenstaande termijnen gelden altijd bij stamrechtspaarrekeningen en stamrechtbeleggingsrechten, ook als (uiteindelijk) geen stamrecht wordt aangekocht. De reden hiervoor is dat belanghebbenden de termijn kunnen gebruiken om aan de hand van offertes voor een stamrecht te kunnen beslissen of zij een dergelijk stamrecht willen aankopen of dat zij kiezen voor de uitkering van een som in termijnen (artikel 11a, derde en vierde lid, Wet LB (tekst 2013)).
  • De bovenstaande termijnen gelden niet als artikel 11a, vijfde lid, Wet LB (tekst 2013), van toepassing is.

Let op
Met ingang van 1 januari 2014 kunnen geen nieuwe loonstamrechten meer ontstaan. Onder een loonstamrecht wordt verstaan een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37 Wet LB zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Wet LB zoals dat op 31 december 2013 luidde. Het overgangsrecht voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten is opgenomen in artikel 39f Wet LB. Artikel 39f, eerste lid, Wet LB bepaalt dat voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten de artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37 Wet LB, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing blijven. Artikel 39f, tweede lid, Wet LB (tekst 2015) maakt het (in afwijking van het eerste lid) mogelijk het stamrechtvermogen in gedeelten op te nemen. Deze gedeeltelijke opname van het stamrechtvermogen is toegestaan tot aan het moment waarop de stamrechttermijnen uiterlijk in moeten gaan. Daarna dient het stamrecht in termijnen in te gaan.