Ga direct naar de inhoud

Vervallen Handreiking tijdelijke pensioenknip (versie 24 juli 2015)

24 juli 2015 10:31

CENTRAAL AANSPREEKPUNT PENSIOENEN

1.     Inleiding

Bij zuivere premieovereenkomsten wordt de beschikbaar gestelde premie belegd tot de ingang van de pensioenuitkeringen (pensioendatum). Daardoor is onzeker tot welk kapitaal deze premies aangroeien. Het beleggingsrisico komt tot de pensioendatum voor rekening van de werknemer. Het risico dat de beleggingen vlak voor de pensioendatum minder waard worden, met als gevolg een lagere pensioenuitkering (conversierisico), kan op twee manieren worden tegengegaan. In de eerste plaats door de beleggingen al voor de pensioendatum om te zetten in een aanspraak op een kapitaal of een uitkering. In de tweede plaats kan het conversierisico worden beperkt door zodanig te beleggen, dat het beleggingsrisico kleiner wordt naarmate de pensioendatum nadert. In artikel 52 van de Pensioenwet (PW) is bepaald dat bij premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid moet worden belegd conform dit «life cycle»-principe.

Naast de waarde van de beleggingen is ook de rentestand van belang voor de omvang van het in te kopen pensioen. De rentestand is immers één van de bepalende factoren voor het tarief waarmee het pensioenkapitaal kan worden omgezet in een pensioenuitkering. Dit speelt niet alleen bij premieovereenkomsten maar ook bij kapitaalovereenkomsten. In beide gevallen is op pensioendatum een (eind)kapitaal beschikbaar waarmee op dat moment tegen het dan geldende tarief een pensioenuitkering wordt ingekocht. Gezien de voortdurende lage rentestand kan bij de werknemers die nu met pensioen gaan de behoefte bestaan om de inkoop van een deel van de pensioenuitkering naar de toekomst te verschuiven.

Op dit moment is het wetsvoorstel van de Wet variabele pensioenuitkering in voorbereiding. In het kader van dit wetsvoorstel wordt bezien in hoeverre het mogelijk is om de werknemer de keuze te bieden het in een premieovereenkomst of een kapitaalovereenkomst opgebouwde pensioen na de pensioendatum mee te laten bewegen met het beleggingsresultaat en de ontwikkeling van de levensverwachting. Door het wegvallen van de garanties van de pensioenuitvoerder kan een groter deel van het vermogen in zakelijke waarden worden belegd en kunnen dergelijke beleggingen ook na de pensioendatum worden voortgezet. Dit maakt het mogelijk over het opgebouwde vermogen een hoger beleggingsrendement te behalen en daarmee een hoger verwacht pensioenresultaat te realiseren. Tegenover een hoger verwacht rendement staan echter ook hogere risico’s voor de werknemer. De mogelijkheid om na de pensioendatum in zakelijke waarden te beleggen, maakt het pensioen minder afhankelijk van de actuele marktrente op de pensioendatum.

De invoering van de Wet variabele pensioenuitkering is niet op korte termijn te realiseren. Daarom is besloten om de pensioenknip van artikel 2, negende lid, van de PW en artikel 2, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (WVB) en de artikelen 3a tot en met 3d van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling tijdelijk weer mogelijk te maken. De ingangsdatum van de direct ingaande tijdelijke pensioenuitkering moet vóór 1 januari 2017 liggen en de duur van de tijdelijke pensioenuitkering bedraagt ten hoogste twee jaar.

2.     Algemeen

Onder de hierna opgenomen voorwaarden is een pensioenknip mogelijk binnen de grenzen van hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB). De voorwaarden zijn mede gebaseerd op de artikelen 3a tot en met 3d van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Bij een pensioenknip ‘volgt’ een eventueel partnerpensioen de voor het ouderdomspensioen gemaakte keuze. Dit heeft een splitsing in de dekking voor het partnerpensioen tot gevolg. In geval van vooroverlijden van de werknemer hebben ook (ex-)partners met een (bijzonder) partnerpensioen de mogelijkheid om een pensioenknip toe te passen. Dit geldt ook voor ex-partners met een geconverteerd pensioenrecht.

Een directeur-grootaandeelhouder die voor de toepassing van de PW niet wordt aangemerkt als een werknemer kan ook gebruikmaken van de pensioenknip. Er moet wel sprake zijn van een premieovereenkomst of een kapitaalovereenkomst die zou voldoen aan de eisen van de PW indien die wet daarop van toepassing zou zijn. De pensioenknip kan ook worden toegepast indien de premieovereenkomst of de kapitaalovereenkomst van een directeur-grootaandeelhouder is verzekerd bij een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet LB (eigen beheer).

Indien er in de hierna gestelde voorwaarden wordt verwezen naar een bepaling van of op basis van de PW, geldt voor de directeur-grootaandeelhouder dat die op overeenkomstige wijze moet worden toegepast.

In artikel 18, vijfde lid, van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet is overgangsrecht opgenomen voor C-polissen in de zin van artikel 2, vierde lid, onderdeel c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet waarop na 1 januari 2007 geen verwerving van pensioen meer plaatsvindt. Voor deze C-polissen blijft de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing. De pensioenknip kan ook worden toegepast voor een Cpolis die voldoet aan de voorwaarden van artikel 18, vijfde lid, van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet. Er moet wel sprake zijn van een premieovereenkomst of een kapitaalovereenkomst die zou voldoen aan de eisen van de PW indien die wet daarop van toepassing zou zijn. Indien er in de hierna gestelde voorwaarden wordt verwezen naar een bepaling van of op basis van de PW, geldt dat die op overeenkomstige wijze moet worden toegepast voor de betreffende C-polis.

Na het invoeren van de maatregelen uit het momenteel in voorbereiding zijnde wetsvoorstel van de Wet variabele pensioenuitkering zal worden bezien of en op welke punten deze handreiking moet worden aangepast.

3.  Voorwaarden pensioenknip

  1. Het pensioen is verzekerd door middel van een kapitaalovereenkomst of premieovereenkomst in de zin van artikel 1 van de PW.
  2. Het op de pensioendatum beschikbaar komende kapitaal wordt gesplitst in een deel dat wordt aangewend voor aankoop van een direct ingaande tijdelijke pensioenuitkering en een deel dat later wordt aangewend voor de aankoop van een, direct op de tijdelijke pensioenuitkering aansluitende, levenslange pensioenuitkering.
  3. De ingangsdatum van de direct ingaande tijdelijke pensioenuitkering ligt vóór 1 januari 2017.
  4. De duur van de direct ingaande tijdelijke pensioenuitkering bedraagt ten hoogste twee jaar.
  5. De hoogte van de direct ingaande tijdelijke pensioenuitkering wordt vastgesteld op de hoogte die een levenslange uitkering op de pensioendatum zou hebben.
    • Als het op de pensioendatum beschikbaar komende kapitaal mede dient ter dekking van een opgebouwd partnerpensioen, wordt tijdens de uitkeringsperiode van de tijdelijke pensioenuitkering een tijdelijk partnerpensioen verzekerd. Bij de aankoop van de levenslange pensioenuitkering die direct aansluit op de tijdelijke pensioenuitkering, wordt rekening gehouden met het partnerpensioen.
    • De pensioenuitkering volgt de normale indexatie die in de pensioenregeling is opgenomen.
    • Bij het vaststellen van de hoogte van de direct ingaande tijdelijke pensioenuitkering mag rekening worden gehouden met een variatie in de hoogte van de uitkeringen. De variatie wordt zodanig vastgesteld dat de laagste uitkering niet minder bedraagt dan 75 percent van de hoogste uitkering. Voor het vaststellen van de toelaatbare hoogte van de variatie moet worden uitgegaan van de hoogte die een levenslange uitkering op de pensioendatum zou hebben. Het is niet mogelijk om de omvang van de direct op de tijdelijke pensioenuitkering aansluitende, levenslange pensioenuitkering te variëren. Artikel 18d, eerste lid, onderdeel b, van de Wet LB eist immers dat de mate van variatie ten laatste op de ingangsdatum van het pensioen wordt vastgesteld.
  6. De pensioenuitvoerder belegt het na aankoop van de tijdelijke uitkering resterende kapitaal zodanig dat het risicoprofiel van de beleggingen gelijk blijft of lager wordt dan voor de aankoop van de tijdelijke uitkering.
  7. Anders dan in uitzonderlijke gevallen van restbegunstiging, mag de gesplitste aankoop van een pensioenuitkering niet tot gevolg hebben dat uit de pensioenverzekering uitkeringen kunnen voortvloeien ten gunste van andere gerechtigden dan die zijn genoemd in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, 1º tot en met 3º, van de Wet LB.