Ga direct naar de inhoud
Naar de homepage van Centraal Aanspreekpunt Pensioenen

V&A 08-042 Beschikbare premie en gegarandeerd minimumrendement

1 januari 2020 00:00

Dit V&A 08-042 behandelt de vraag wat de fiscale gevolgen zijn van het garanderen van een minimumrendement in een beschikbare-premiestelsel.

Vraag

Welke fiscale gevolgen heeft het garanderen van een minimumrendement in een beschikbare-premiestelsel?

Antwoord

Als de werkgever de garantie verstrekt kan het totaal van de premies (waaronder begrepen eventuele aanvullende stortingen om het minimumrendement te kunnen garanderen) uitgaan boven hetgeen toelaatbaar is met inachtneming van de uitgangspunten van artikel 18a, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) of één van de staffels van het Staffelbesluit pensioenen van 20 december 2019, nr. 2019-21333. De pensioenregeling wordt dan onzuiver. Bij een garantie door een pensioenverzekeraar (pensioenfonds, verzekeringsmaatschappij of premiepensioeninstelling) hoeft geen onzuiverheid op te treden.

Ter toelichting het volgende.

  1. Indien de werkgever een garantie heeft afgegeven voor een minimumrendement, dan moet hij bijstorten indien de eerder gestorte premies een lager rendement opleveren dan het minimumrendement dat in de regeling tot uitgangspunt was genomen. Het totaal aan oorspronkelijk en aanvullend gestorte premies mag echter niet uitkomen boven de dan geldende grenzen van artikel 18a, derde lid, Wet LB of het Staffelbesluit pensioenen. Vanwege deze kans op overschrijding maakt een dergelijke garantie de pensioenregeling dus onzuiver.
  2. Ook de pensioenverzekeraar kan een minimumrendement toezeggen. De pensioenregeling wordt door deze garantie niet onzuiver mits de werkgever en/of de werknemer daarvoor geen aanvullende bedragen behoeven te storten.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 7 van het vervallen besluit CPP2003/530M (besluit van 29 augustus 2003).